Op 6 juli jl. vierde Sjef Jansen, geboren en getogen in Hilvarenbeek, zijn 60-jarig priesterjubileum. Maar wat beweegt een jonge man om priester te worden? We vroegen het Sjef, die antwoordde met een uitgebreid levensverhaal, dat u hier kunt lezen.
Het was eind jaren veertig in de vorige eeuw en ik werd gevraagd om misdienaar in het klooster in Hilvarenbeek te worden. Na onze goedkeuring om die taak aan te nemen was het dikwijls ’s morgens voor dag en dauw naar het klooster.
Het gebeurde op maandagmorgen dat ze in slagerij Van Oorschot op de Diessenseweg, al druk bezig waren om varkens van het leven te beroven. Wij fietsten vanuit de Bloemenstraat nr. 2 door de poort en vroegen aan Albert of we de blaas konden krijgen. Albert zei: “Eerst de mis dienen en dan kom je de blaas maar halen voor de rommelpot. Maar natuurlijk wel eerst het gat van het varken kussen! Overigens heb ik nog een mooi aanbod voor jullie. Wij hebben een bank in de kerk en daar mogen jullie ook zitten.”
Jaren heb ik in een klein hoekje achter een pilaar gebeden voor alle mensen die mij lief waren. En bijzonder vond ik het in de kerk als de wierook naar het gewelf of de hemel steeg. Ik dacht dat boven op die wolk God wel zou huizen. Later dacht ik dat ik mysteriegevoelig was en dat ook moest koesteren. Het was een prachtige tijd voor een kind van negen jaar.
Wij mochten thuis zeggen wat we later wilden worden. Ik antwoordde: ‘Pastoor!’
Er waren in die jaren jonge kapelaans in Hilvarenbeek, Chris Smeulders en Gerard Hoogbergen en de fanatiek sportende Pieter Harks, die na schooltijd altijd wat jongens bijeen trommelden om achter het parochiehuis mee te gaan voetballen. Het gras stond er twee decimeter hoog, maar dat kon de pret niet drukken. Hij maakte veel indruk op mij en ik wilde ook kapelaan worden.
Ik vertelde het aan onze pa. Zijn antwoord was heel duidelijk: “Jongen, daar hebben wij geen verstand van en dat moeten we dus aan de pastoor gaan vragen.”
Pastoor Cocken zei dat ik dan naar het klein seminarie Beekvliet zou moeten.
Er gingen nog drie andere jongens uit Hilvarenbeek in 1953 naar het seminarie: Jan van Hoof, Bartje Reijnen en Harrie Simons en dat maakte ons wel wat sterk om de 72 nieuwe studenten aan te vullen.
De weg naar Beekvliet in St. Michielsgestel lag ook voor mij open.
Een manneke van 12 jaar ging het eerste het huis uit van de zeven kinderen aan de Bloemenstraat. Ons moeder bleef thuis met de andere kinderen; ze stak kaarsen op bij het heilig Hartbeeld en heeft menig traan weggewist om een kind te zien vertrekken.
Onze pa bracht mij weg. Hij nam het gebouw een beetje in zich op en toen ons moeder bij zijn thuiskomst in Hilvarenbeek vroeg hoe het toch was met onze Sjef zei hij de gevleugelde woorden: “Het zal zijne zin wel zijn, maar ze moesten mij daar niet in stoppen.”
Als iemand mij vraagt of ik misschien van thuis uit gestimuleerd werd om priester te worden, dan kun je hier het antwoord vinden. Mijn klein-seminarietijd was er een van veel sporten, van gymnasiumstudie, en een zalige pubertijd, die veel creativiteit opleverde. En nogal veel bidden op die leeftijd.
Er werd weinig over roeping gesproken, maar de geest was best doordesemd met religie. Maar ja, dat was in een dorp als Hilvarenbeek wel gewoon.
En dan komt na zes jaar het groot seminarie in Haaren in beeld.
Vraag was: Ga je door met deze studie en dit leven?
We gingen uiteindelijk met 26 jongens naar Haaren een nieuwe toekomst tegemoet.
Het zijn dan al de jaren zestig van de vorige eeuw. De wereld bruiste steeds, maar ook de kerk verlangde naar vernieuwing. We hadden het geluk dat in die tijd het Tweede Vaticaans concilie door Johannes de XXIII bijeen geroepen werd. Een oude man, maar helder van geest, die de bisschoppen van de wereld bijeen riep om de kerk bij de tijd te brengen. Hij was een grote geest als Paus en De vernieuwing begon bij hem.
Onze bisschoppen van die jaren zestig waren mgr. Bekkers en mgr. Bluijssen, die allebei in in Rome de grote kerkvergadering bijwoonden. Bekkers heeft daar ook nog het woord gevoerd, gesteund door de grote theoloog Schillebeeckx.
Bluijssen verzorgde op het groot seminarie colleges met veel kennis uit Rome.
Veel nieuwe professoren kwamen naar ons seminarie en wij werden enthousiast voor ontwikkelingen binnen de kerk maar ook binnen de wereld.
Het leven werd niet alleen beheerst door wetten maar ook door inspiratie van de geest.
In 1965 zijn we met 10 mannen priester gewijd in de St Jan van Den Bosch en ik vergeet de woorden van mgr. Bekkers niet in zijn preek op die morgen van de wijdingsmis: “Je moet lef hebben om in deze tijd priester te worden.” Dergelijke woorden hebben mij altijd aangesproken: Kom we gaan er aan werken! De kerk moet een gemeenschap van mensen zijn, gedragen door liefde. Dat was voor mij de aanzet om priester te zijn en te worden.
Onze levensweg bleef voortgaan in het pastorale werk voor en met mensen.
Mijn eerste parochie was Mierlo. Ik wist niet waar dat lag, maar zonder tom-tom hebben we de pastorie gevonden. Heel gastvrij deed pastoor Smulders de deur open en zei: “Ik ben zo blij dat je komt, zo van het seminarie-nieuwe-stijl. Ik weet niet meer hoe het moet.”
“Pastoor,” zei ik, “daar komen we samen wel uit!”
Elf jaar heb ik daar gewerkt. Er was veel te doen en dat werk breidde zich uit over het dekenaat. Ik heb ook nog tien jaar les gegeven aan Mulo/Mavo, tien jaar begeleiding aan meisjes van 16 tot 18 over levensvragen. Het waren dames van de Tweka en Jansen de Wit.
Het waren allemaal leerzame tijden.
Het was ook een bruisende parochie met veel jeugd en tot op vandaag heb ik er nog vele contacten.
Een tweede parochie heb ik betreden in 1977: de Lambertusparochie in Veghel. Een heel ander dorp dan het landelijke Mierlo. Maar bij mijn installatie in de kerk heb ik in de preek gezegd dat ik dacht zeven jaar met de parochie op te trekken, immers verandering is vruchtbaar voor de gaande en de blijvenden. Een geweldige tijd gehad met veel potentieel aan muziek, medewerking van werkgroepen, de opbouw van lekenkerk.
Na zeven jaar Veghel werd ik tot pastor benoemd in Eersel, een parochie die met beide voeten in de nieuwe tijd stond. Dit was het gevolg van een grote deelname aan de Pastorale School in Eindhoven. Wederom een geweldige tijd van modern kerk zijn. Gedragen door leken om te komen tot een gemeenschap die het voor elkaar opneemt.
In 1990 werd ik 50 jaar en vroeg me af: wat wil ik komende jaren? Ik werd attent gemaakt op een training van drie maanden aan de Radbouduniversiteit van Nijmegen: de Klinisch Pastorale Vorming. Het werd een training van 3 maanden met 8 personen uit het pastorale veld.
Daarna ben je door alle gesprekken en contacten een open boek voor elkaar. Collega Jan uit de groep zei: “Sjef, jij moet naar de gevangenis als pastor! Je loopt nog rechtop, je bent optimist en je houdt zichtbaar van mensen.”
In die tijd ontmoette ik een vriendin, die maatschappelijk werkster was in de gevangenis in Sittard. Zij moedigde mij aan om die richting inderdaad te volgen.
Maar na contact met de hoofdaalmoezenier bleken er geen open fte’s beschikbaar te zijn.
Dus keek ik uit naar andere advertenties voor geestelijke verzorgers. Dezelfde dag werd mijn vraag al duidelijk: Geestelijk verzorger gevraagd in Grootziekengasthuis in Den Bosch. Daar werd ik opgeroepen voor gesprek en direct aangenomen.
Het werk werd nog uitgebreid omdat er een fusie was met het Willem Alexanderziekenhuis. Drie jaar heb ik daar heerlijk gewerkt totdat de hoofdaalmoezenier van Justitie mij belde of ik nog interesse had om in de gevangenis te gaan werken.
Het verlangen ernaar was nog steeds aanwezig.
Ik werd pastor in de EBI in Vught en in een unit van jongeren in Vossenveld..
Dus ik vertrok uit het ziekenhuis en ging werken bij Justitie
Na vijf jaar Vught lag er nog een kans om een nieuwe baan binnen Justitie aan te nemen: Geestelijk verzorger bij de vreemdelingenbewaring in de Willem II gevangenis in Tilburg.
Daar zaten 700 mannen vanuit heel de wereld opgesloten die op de vlucht waren vanwege de oorlog in hun land of om de armoede te ontvluchten. Zeer schrijnend om zo te moeten leven. Ze hebben geen strafbad, en dikwijls geen papieren. Je treft mensen uit heel de wereld met veel verschillende talen en religies, maar het blijven ook mensen.
In ons team Geestelijke Verzorging waren we met twee imams, een dominee, een pastorale werker, ikzelf als pastor.
We besloten intensief samen te werken al geestelijke verzorgers. En die breidden wij uit met Koptische priester, Hindoe priester, Getuigen van Jehova.
Heel duidelijk was dat voor de vreemdeling de religie een steun was om te overleven en de moed erin te houden.
Wij hadden als geestelijke verzorging de opdracht om voor deze mensen gul te zijn en een grote steun.
En dan is het 2025 en zijn we 60 jaar priester. Een geweldig feest gevierd met veel vrienden en mensen die samenkomen om het pastorale werk te vieren.
Ik heb daaraan het thema gegeven:
Herder en pastor met en voor het volk
