Kapellen en kapelletjes horen bij onze streek. Ze staan er nooit zomaar, want steeds is er een interessant verhaal waarom ze ooit werden gebouwd. Meestal zijn onze kapelletjes gewijd aan Onze Lieve Vrouw, maar ditmaal een heel ander en afwijkende geschiedenis. Van eentje die net buiten de grens ligt, maar toch sterke banden heeft met Hilvarenbeek.

door Kees van Kemenade

Wie de oude weg neemt naar het dorp Poppel, passeert bij het oversteken van het de Leij de rijksgrens. Enkele tientallen meters op Belgisch grondgebied ligt aan de rechterzijde van de weg een witgepleisterd kapelletje. De deur klemt een beetje, maar hij is meestal open. De overbuurvrouw zorgt voor de sleutel en het nodige toezicht.

Wie de moeite neemt om binnen te gaan ervaart de reden waarom hier in 1735 - het jaartal staat boven de ingang - dit bedehuisje is neergezet. Een schilderij toont de herder, die in dat jaar, hier aan de oever van de Leij, de hosties terugvond, die uit de Poppelse kerk waren gestolen. De dief was het vooral om de kerkschatten te doen en hij had de hosties achteloos weggeworpen. Volgens de legende en het schilderij binnen van de gebeurtenis, waren het eigenlijk de schapen die het Allerheiligste terugvonden. De herder ontdekte de neergesmeten hosties, toen zijn dieren er voor knielden. Om deze, in de ogen van de mensen, heiligschennende daad weer goed te maken bouwden de parochianen van Poppel hier een kapel, gewijd aan het heilig Sacrament.

Thans is het bedehuisje herkenningspunt voor degenen die de weg tussen Hilvarenbeek en Poppel, over Roovert, gebruiken. Er zijn bankjes getimmerd, die uitnodigen tot een ogenblik van rust en bezinning temidden van de natuur. Wie hier gaat zitten, zit op historische grond. In 1643 bouwde pastoor Van Grinsven uit Hilvarenbeek hier, aan de overzijde van de Leij in het gehucht Hulsel, een noodkerk, als uitwijkmogelijkheid omdat de katholieke eredienst in zijn dorp inmiddels verboden was. Hij had zelfs moeten verhuizen naar Weelde, om niet in handen van de protestantse Opstandelingen te vallen. In 1629 hadden troepen van de Zeven Verenigde Nederlanden, uit het Noorden, de Meierij van ’s-Hertogenbosch veroverd en onder het gezag van de Staten-Generaal gebracht. Het katholicisme, de godsdienst van de gehate Spaanse koning, werd verboden. De St. Petrus Banden kerk werd ontruimd en kwam na 1648 in handen van de protestanten. De mis kon alleen maar in een schuur richting Poppel worden gelezen, buiten bereik van de beambten van de Staten-Generaal. Enkele tientallen jaren gebruikten de Bekenaren deze grenskapel voor doop, huwelijk en begrafenisplechtigheden; totdat in 1672 de verdraagzaamheid in Staats-Brabant weer zoveel was toegenomen, dat de katholieken een eigen kerk in het dorp konden openen. In een schuur aan de Papenstraat kon voortaan de mis worden gelezen en dat was een hele verbetering vergeleken met de kapel net over de Leij in de Zuidelijk - eerst Spaanse en later Oostenrijkse - Nederlanden. Van de grenskerk zijn geen afbeeldingen bekend, al zal het maar een eenvoudig houten gebouwtje zijn geweest.

Er hebben er vele van zulke kerkjes gestaan, langs de grenslijn tussen het gebied van de koning en van de Staten. In Nieuwkerk, onder Goirle, hebben ze er later een kapelletje gebouwd, om de godsdienstige wijkplaats te blijven herinneren. Van de eerste Roovertse kapel rest niets meer dan de herinnering. De huidige Sacramentskapel staat er om een geheel andere reden dan die op Nieuwkerk, maar hij houdt toch ook de herinnering levend aan een tijd dat godsdienstvrijheid nog onbekend was.