In Hilvarenbeek leven naast veel mensen ook nog vogels, grote en kleine zoogdieren, reptielen en amfibieën, insecten en spinnen. Allemaal samen noemen we die natuur: onze fauna. Alles wat loopt, kruipt of vliegt dus. Ieder dier heeft zijn eigen verhaal. Als je dat kent, dan wordt zo’n deel van onze fauna nóg interessanter. Erop uit dus in de bebouwde kom en het buitengebied en “op zoek naar al wat leeft en ons altijd weer boeit”. Zeker in de winter is dat heel wat.
door Kees van Kemenade en Kees van Limpt
Je zult de schuwe appelvink niet snel waarnemen, want hij is hier in onze streek zeldzaam en bovendien houdt hij zich slechts op in loofbomen in de bossen. Deze op de foto is gemaakt op Landgoed De Utrecht. Als hij heel hongerig is en in de natuur niet veel meer kan vinden, dan zoekt hij nog wel eens een tuin op. Je kunt hem dan verleiden met zonnepitten. Die kraakt hij met het grootste gemak met zijn stevige, blauwzwarte, snavel. Zelfs een pruimenpit of een kersenpit krijgt hij zo open om de inhoud op te kunnen eten. Hij haalt zeker 40 kg bijtkracht! Probeer zelf maar eens een pruimenpit door te bijten, of liever: doe het maar niet als jij je gebit waardeert. Behalve noten en zaden blieft hij af en toe ook wel een rups of insecten.
De appelvink is een van de vele vinken soorten die ons land kent. Deze soort is niet bedreigd. Het is ook een standvogel, die dus in ons land blijft overwinteren. Dit seizoen zou je hem dus kunnen waarnemen. Behalve de opmerkelijke snavel, herken je hem aan de forse bouw, de mooie bruine tinten, tot oranjebruin toe, afgewisseld met wit. Hij vliegt recht op de volgende tak af, dus niet met bogen, zoals veel vogels doen.
Zoals meer soorten heeft deze vink een territorium, waaruit hij andere vinken weghoudt. De balts om een vrouwtje te vinden vindt plaats aan het einde van de winter en is zeer indrukwekkend. Na de paring wordt er genesteld en broeden beide vogels de eieren uit. Dat duurt een kleinen twee weken en dan verblijven de jongen nog ongeveer even lang in het nest. Dan zijn ze klaar om uit te vliegen en wacht hen een behoorlijk lang leven. Dat weten we door het ringen van jonge appelvinken. Twaalf jaar haalt hij met gemak.
