Schotel aan het woord

Hoe Schotel zelf over zijn kunstenaarschap en zijn werk dacht, hebben we weinig aanknopingspunten. Er zijn enkele teksten en brieven van zijn hand, waaruit een en ander te destilleren valt. In een stapeltje ongeordend materiaal over Schotels periode als journalist voor de krant De Waarheid begin jaren 1950 zitten vijf met potlood volgeschreven bladen. De tekst is direct opgeschreven met vele doorhalingen en verbeteringen. Het is puzzelen om er een enigszins leesbare en begrijpelijke tekst van te maken. Toch is de exercitie de moeite waard, want het blijkt de opzet voor een voordracht te zijn binnen de in 1948 opgerichte Vereniging Vrienden van de Prentkunst ‘Willem Buytenwech’.

door Peter Thoben, conservator

Een samenvatting

Schotel vindt dat hij als bestuurslid niet kan weigeren om iets over zijn ‘streven en werken’ te vertellen. Hij stelt dat hetgeen hij buiten zijn werk als graficus heeft moeten doen maar ‘half of zeer gebrekkig tot stand is kunnen komen’ wegens afwezigheid van talenten. Als sergeant in militaire dienst is hij geen goed soldaat, maar daardoor is hij wel losgekomen van het tapijttekenen voor de firma Stevens en ‘geen haar van mijn hoofd dacht eraan om daar ooit weer terug te keren’. Hij merkt op dat zijn vader de naam had de beste lakker van Rotterdam te zijn, die van ’s morgens 8 tot ’s nachts 12 werkte en geregeld ‘van overspanning in ’t ziekenhuis terechtkwam’.

Hij somt op wat hij vanwege ‘gronische geldnood’ allemaal half heeft moeten doen: een atelier bouwen dat ‘altijd lekt en waar ik altijd de grootste angst uitsta als het stormt dat het om zal vallen’, mijn eigen verfstoffen fabriceren omdat de koopverf niet deugt, een werktuig – dus de Mari – moeten maken ‘waaraan ik zeker 10 jaar heb besteed en nog staat het er maar half klaar’. Verder heeft hij ‘een nieuw soort wissellijst’ gemaakt en moet dus ook nog lijstenmaker en kartonbewerker zijn, veelal met hulp. Hij heeft een gevecht moeten leveren ‘waar elke artiest in onze maatschappij mee te kampen’ heeft en dat zie je in het werk terug. Maar ‘ik moet zeggen dat mijn werk en mijn idealisme mij staande heeft gehouden’.

Hij heeft op de academie leren tekenen, maar op de etscursus van Antoon Derkzen van Angeren voelt hij zich thuis omdat hij ontdekt ‘geen doezelaar, maar wel een tekenaar’ te zijn. Op die weg gaat hij door en in samenwerking met vriend Johannes Proost komt er mogelijkheid ‘om te gaan experimenteren en de in mij sluimerende krachten tot ontwikkeling te brengen’. Beide hebben bewondering voor Japanse prenten en Hercules Segers, voor schilderijen van Meunier, litho’s van Daumier en het etswerk van Käthe Kollwitz. Lang is hij op zoek geweest naar de zwarte verfstof om etsen te drukken, want de moderne industriële inkt is tot een ‘onmogelijk product’ verworden.

Iemand heeft ooit opgemerkt dat Schotel ‘wel ’n goed vakman zou mogen heten maar daarom nog geen artist behoefde te zijn’. Met die vaststelling en erkenning blijkt hij heel blij. En elke keer bij het afdrukken ervaart hij het plezier ‘een afdoende methode gevonden te hebben om tot een bijna volmaakte vorm van afdruk te zijn gekomen’. Het gaat dus om vakmanschap. Het is geen vooropgezet plan geweest om het handwerk van het drukken te mechaniseren, maar het leidt wel tot exemplaren van dezelfde kwaliteit. Het is een logisch gevolg van de vakbeoefening om ‘met succes de dik gewreven verfstof uit de lijn schoon op het papier te krijgen’.

Een greep uit de tekst. Mogelijk is het bij deze aanzet gebleven. Overigens houdt zwager Kees Punt voor de vereniging ‘Willem Buytenwech’ een causerie over de etser Schotel op 17 maart 1950, waarvoor Schotel een uitnodiging ontwerpt.