door Jan van Helvoirt
In 1897 werd een lijst gepubliceerd waarin alle aanwezige bedrijven werden opgenomen die met hun inrichtingen alle mogelijke gevaar, schade of hinder zouden kunnen veroorzaken voor de Beekse bevolking. Oudere lijsten gaven wel de verschillende ambachten of beroepen weer die in ons dorp werden uitgeoefend. In 1859 kende Beek acht schoen- en drie kleermakerijen. Verder waren er zes timmerwinkels, twee wagenmakerijen, twee kuiperijen, vier klompenmakerijen, drie metselarijen, vier hoefsmederijen, drie stro dekkerijen, twee wieldraaierijen en drie verf- en glazerijen. Tot slot nog een gareelmakerij en een koperslagerij. In totaal werkten daarin 115 personen en alle bedrijfjes draaiden voorspoedig. Een latere lijst genaamd ‘Staat der Fabrieken’ van 1861 noemde nog een aantal andere bedrijven: haarspinnerijen, grutterijen, olieslagerijen, leerlooierijen, linnenweverijen, stoelenmatterijen, korenmolens en run- en schorsmolens. Daarnaast nog een orgelmakerij, een blauwververij, een zwart ververij, een bierbrouwerij, een zadelmakerij en een waskaarsenfabriek. In 1876 werd overigens nog de touwslager Jan van Buul vermeld. Eind negentiende eeuw kwam men tot het besef dat alle bedrijven een vergunning dienden te hebben om hun vak verder te kunnen uitoefenen. Dit resulteerde in het Register Hinderwet dat in 1897 werd geïntroduceerd. In deze verhandeling laten we de Beekse bakkers, slagers en herbergiers met hun mogelijk aanwezige schietbanen achterwege.
De ‘blauwverver’ Woutheris Favier was de eerste die zich op 25 januari 1898 meldde voor een aanvraag. Vanaf een sterfput voerde een leiding, met op het einde een rooster, alle stoffen af naar de Noorderbeek. Enkele dagen later vroeg Anna Desmalines, de weduwe van Gerard Kuipers, vergunning om de leerlooierij bij het Rat van Fortuin tegenover de Kerk te mogen uitbreiden. Ook hier werd een buis met rooster verplicht dat moest leiden naar dat ‘open beekje’. Cornelis Mallens kon niet achterblijven en ook hij mocht zijn bestaande leerlooierij in de Koestraat aanzienlijk vergroten. Dat gold ook voor Woutheris Mallens in de Gelderstraat op het adres A-55. In de zomer van dat jaar ging Frans van Loenhout een sigarenfabriek oprichten in de Doelenstraat op A-150. Er werden meteen tien man aan het werk gezet. Dat deed Frans de Lang even later ook in de Wouwerstraat. Adrianus Heezemans volgde in oktober zijn voorbeeld met het bouwen van een sigarenfabriek met drogerij in de Doelenstraat op A-154. De uitbreiding van de looierij van Cornelis Mallens in de Koestraat in 1899 werd niet in dank afgenomen. Vooral de kritische buurman en arts Scheidelaar tekende immers fel protest aan. Toch kwamen er meer aanvragen voor looierijen. In augustus 1899 mocht Henricus Damen op de Varkensmarkt pal achter de Kerk en naast Van Hirtum looikuipen aanleggen. Vervolgens ging Frans Kuipers een groot aantal looikuipen plaatsen. Een gemonteerd rooster in de afvoer naar de Zuiderbeek zou het ‘grofvuil’ wel tegenhouden.
Jos van de Biggelaar kon sinds mei 1900 zijn smeedkunsten voortaan verrichten op de hoek van de Markt en de Wouwerstraat. Maar alleen niet tussen ’s avonds tien uur en ’s morgens vijf uur. Opnieuw mocht Cornelis Mallens zijn leerlooierij in de Koestraat op A-87 vergroten. In september 1902 bouwde de Beekse Boerenbond het boterfabriekje de Eendracht tussen de Holstraat en de Paardenstraat met een stoommachine van 5 pk. Tegelijkertijd kwam Frans Kuipers opnieuw met een uitbreiding van zijn looikuipen. In augustus 1903 kon de molenaar Jacobus van Gool een graan- olie- en schorsmolen oprichten met een ‘zuig- gasmotor’ van 16 pk. Cornelis Schijvens handelaar in naaimachines en velocipedes ging een smederij bouwen op nummer A-21 aan de Diessenseweg. Frans Kuipers vergrootte zijn looierij wederom met een aantal kuipen en waterbakken. De afvoerbuizen naar de Noorderbeek moesten wel iets naar het westen worden verlegd. Op 17 maart 1906 kreeg Jan Verhoeven de vergunning om een smederij in te richten in de Wildeman aan de Hoge Zij. Hij mocht absoluut geen paarden beslaan en het plaatsen van karren en rijtuigen voor de woning was verboden. Vanaf 1906 kwamen er een aantal verzoeken binnen om in een ‘fabriekje’ acetyleengas te mogen produceren, waarbij de pastoor in de Koestraat de primeur had. Gerardus Bosmans in de Gelderstraat was nummer twee en de smid Martinus de Graaf volgde hen snel op.
Piet Bressers ging zijn schoenfabriek aan de Diessenseweg in 1908 voorzien met motoren. De looierij van Mallens in de Koestraat werd 15 kuipen groter en er kwam naast een ‘vleeschdrogerij’ ook een schorsmolen. Aan de grens met Tilburg breidde A. Blomjous in 1909 zijn ‘waschinrichting met bleekerij’ aan de Leije uit. Theodorus van Gestel bouwde een smederij in de Doelenstraat. Jos Heeren richtte zijn wagenmakerij op met een petroleummotor op de voormalige ‘Doel’ van het St. Sebastiaansgilde vooraan rechts in de Doelenstraat. Zowel Cornelis Spierings op de Bastiaan aan de Diessenseweg als Frans de Wert achter de Hondsnest aan de Gelderstraat, moderniseerden hun schoenfabriekjes. Frans Kuipers richtte in 1912 nog een ‘leerlooierij met lijmvleeschdrogerij’ op in de Doelenstraat. De schoenfabrikant Frans van den Brand mocht ook zijn machineparkje naast de Blijk in de Wouwerstraat uitbreiden. Firma Van den Broek & Jacobs bouwde haar schoenfabriekje met een gasmotor in de Wouwerstraat. In 1922 zou J. C. van der Heijden een sigarenfabriekje oprichten, H. de Kort een schoenfabriekje en A. Smolders een koperslagerij. Vanaf 1915 kon men voor brandstof terecht bij Piet van Beurden. Hij had in de Wouwerstraat op A-121 een vertrek ingericht ‘tot bergplaats voor petroleum’. Hij mocht maar één vat met kannen voor dagelijks gebruik in huis hebben. De overige volle vaten moesten minstens 20 meter van het huis opgestapeld zijn. Maar het gezegde ‘holle vaten bommen het hardst’… was blijkbaar in Beek nog ongehoord!
