Gewillig lopen Frits en Rosalie mee naar de marechausseekazerne aan de Diessensweg. Het is maar een paar honderd meter vanaf de Beerten 3. Hester van 5 jaar en Carla van 3 blijven achter bij het gezin van Harrie van de Ven. De volgende morgen worden ook de meisjes naar de marechaussee gebracht. Via Amsterdam en Westerbork wordt het Joodse gezin naar Auschwitz-Birkenau getransporteerd, waar zij op 27 augustus 1943 in de gaskamer worden vermoord.
door Ton de Jong
Het is in Hilvarenbeek een volstrekt onbekend oorlogsverhaal, tot Jo van de Ven in 2001 zijn hart lucht bij buurman Harry Beckers. Hij woont dan in de Sint Jorisstraat. Met heemkundige Cees Prinsen duikt Harry samen met Jo in de oorlogsjaren. De informatie van Jo en speurwerk in archieven worden samengevat in een artikel dat in mei 2001 verschijnt in de Hilverbode. Daarna verdwijnen deze vier Beekse oorlogsslachtoffers weer uit zicht. Zij krijgen geen plek op het oorlogsmonument op de Vrijthof en worden niet opgenomen op de lange lijst van oorlogsdoden.
Tot 24 jaar later het dossiertje opduikt in de nagelaten papieren van Cees Prinsen. Er zijn in die tijd veel archieven opengegaan, zodat het verhaal nu completer verteld kan worden. Het gaat met name om het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), waarin alle processen tegen 'foute' Nederlanders zijn te vinden. De processtukken in de strafzaak tegen de twee mannen die het gezin in Hilvarenbeek hebben opgehaald, vullen de gaten in de informatie die Jo in 2001 gaf.
Achtergrond van het gezin
Frits Samuel Witteboon wordt op 24 januari 1906 in Amsterdam aan de Reguliersgracht geboren als zoon van boekdrukker Salomon Witteboon en Bertha Lindenbaum. Hij heeft drie oudere zusters. Als Frits drie jaar is (29 mei 1909), verhuist het gezin Witteboon naar Bussum. Wanneer hij klaar is met zijn opleiding, probeert hij het een tijdje in verschillende steden als handelsreiziger/vertegenwoordiger, totdat hij in 1932 in Utrecht begint met de opleiding voor verpleger. Vijf jaar later keert hij geslaagd terug naar zijn geboortestad.
Op 21 juli 1937 trouwt hij met verpleegster Rosalie Levij (Amsterdam, 23 mei 1904). Uit hun huwelijk worden twee dochters geboren: Hester Bertha (Hetty) op 20 februari 1938 en Carla Irene op 13 oktober 1939. Het gezin Witteboon woont in de Kanaalstraat 8-1, tot zij in 1941 verhuizen naar de Noorder Amstellaan 123 (de tegenwoordige Churchillaan in Amsterdam). Het is midden in de Joodse buurt.
Vanaf 1 mei 1941 mogen Joodse patiënten in Amsterdam (en de rest van Nederland) geen gebruik meer maken van reguliere, niet-Joodse ziekenhuizen. Deze uitsluiting is het gevolg van een verordening van de Duitse bezetter, die bepaalde dat Joodse artsen, apothekers, tandartsen en vroedvrouwen vanaf die datum uitsluitend nog Joodse patiënten mogen behandelen. Als direct gevolg hiervan moeten Joodse patiënten zich voortaan wenden tot specifiek Joodse medische instellingen. Sommige Joodse artsen houden, zolang dat mag, op twee plekken spreekuur: op de ene voor Joden, op de andere voor niet-Joden.
Noorder Amstellaan 123 wordt een polikliniek van zes specialisten. Het is een groot herenhuis dat zich uitstekend leent voor de inrichting van meerdere behandelkamers. Witteboon werkt er als verpleger vanaf 12 mei 1941 en verhuist van de Kanaalstraat naar dit verdiepingshuis.
Eerst naar de Westrik
Frits en zijn gezin worden wegens zijn baan in de gezondheidszorg vrijgesteld van deportatie en krijgen in juni 1942 van de Joodse Raad een zogeheten Sperre. Ook zijn vrouw en twee dochters krijgen uitstel. Zij wanen zich veilig, zelfs nog in februari 1943, wanneer hij in het Joodsch Weekblad in een advertentie een poppenhuis vraagt voor zijn dochters. Maar voor de Duitsers zijn de werkers in de gezondheidszorg niet meer onmisbaar; het doel is de volledige deportatie van de Joodse gemeenschap. In mei 1943 dwingen de Duitsers de Joodse Raad om 7.000 van de ongeveer 17.000 resterende Sperren in te trekken. De houders hiervan moeten zich melden voor transport. Omdat weinigen hieraan gehoor geven, volgen er grote razzia's.
Waarschijnlijk duikt de familie Witteboon in maart 1943 onder in Hilvarenbeek. Zoon Jo van de Ven verklaarde in 2001 tegenover Harry Beckers dat het adres is geregeld door de verzetsgroep van Piet Leermakers uit Biest-Houtakker, die zelf op 6 september van dat jaar werd doodgeschoten toen hij uit zijn woning vluchtte voor de Grüne Polizei. Harrie van de Ven laat zich daar niet over uit in zijn verklaring in 1948 tegenover de opsporingsdienst van oorlogsmisdadigers. Hij zegt dan dat het gezin al ergens in de buurtschap Westerwijk verbleef (wellicht in Hoeve De Westrik, tdj) en dat een en ander is gelopen via de kok van het kamp van de Arbeidsdienst. Het was daar kennelijk te gevaarlijk geworden. Het werk-verschaffingskamp Bunthorst van de Arbeidsdienst, waar tientallen jonge mannen op last van de Duitsers verbleven, lag bijna naast Hoeve De Westrik.
Bij Harrie en Nel
In de Beerten 3 worden ‘ome Frits’ en ‘tante Riet’ gastvrij ontvangen. Schoenmaker Harrie van de Ven en zijn vrouw Nel hebben drie jongens en een meisje die in 1943 tussen de 12 en 21 jaar oud zijn. Zoon Jo is 16 jaar. Via de verzetsgroep van Leermakers krijgt het gezin, dat het niet al te breed heeft, wat geld toegeschoven om de onderduikers te kunnen onderhouden. Uit Amsterdam worden bonnen voor levensmiddelen toegestuurd. De dochtertjes Carla en Hester blijven nog een paar maanden op het onderduikadres in de Westerwijk. Maar op een dag in juli worden de meiden achter op de fiets gezet en afgeleverd bij Van de Ven.
De Joodse naam ‘Witteboon’ mag niet meer gebruikt worden; zij heten voortaan ‘Van Oort’, een Brabantse naam, en krijgen valse persoonsbewijzen. Op colberts van Frits kun je nog wel zien waar de Jodensterren hadden gezeten. Tegen iedereen wordt verteld dat het familie is. Het is onbezorgd wonen bij Van de Ven, met aan de ene kant de boerderij van Kees Roest en daarachter de tuin van de verzetsfamilie Van der Heijden.
De arrestatie
Het gaat goed tot op zaterdag 7 augustus rond het middageten ineens de NSB’ers Henri van den Berg en Paul Reuskens binnenvallen (de datum kan afgeleid worden van de Sperre-kaart). Ze komen uit Amsterdam en maken deel uit van de Henneicke-Colonne, een onderdeel van de’ Zentralstelle für jüdische Auswanderung’ in Amsterdam. De groep bestaat uit ongeveer 50 tot 80 Nederlandse collaborateurs, geen politiemensen. Hoewel ze officieel administratieve taken hebben, fungeren ze in de praktijk als bewakers en 'premie-jagers'. Voor iedere opgebrachte Jood krijgen ze 7,50 gulden.
Bij aankomst in Hilvarenbeek gaat het duo — een lange en een stevige kleine man — zoals gebruikelijk voor ondersteuning eerst langs de plaatselijke politie. Marechaussee Jan Verlinden loopt mee naar de Beerten maar gaat niet meer naar binnen. Frits en Rosalie gaan zonder protest mee naar de marechaussee-kazerne. De kinderen moeten de volgende dag worden gebracht. De NSB’ers willen Harrie ook meenemen, maar laten zich overtuigen door Frits, die hem in bescherming nam door te zeggen dat Harrie niet wist dat zij Joden waren. Volgens zoon Jo van de Ven was Verlinden 'de slechtste niet' en gaf hij de raad om de kinderen ergens anders onder te brengen en het huis in brand te steken. Na de oorlog noemden collega’s hem een wat bange man die pas in de laatste drie maanden van de oorlog meedeed met het verzet.
Terug naar Amsterdam
Hester en Carla werden op die zondagmorgen naar de kazerne gebracht. De twee Jodenjagers, die overnacht hadden in hotel-restaurant De Tent van NSB-voorman Jan Jansen, namen het gezin mee terug naar Amsterdam. Op 11 augustus schrijven Van den Berg en Reuskens een intern bericht over de arrestatie. De berichten van de Colonne-Henneicke zijn na de oorlog teruggevonden in een Amsterdamse kelder en waren belangrijk bewijsmateriaal in de processen tegen de Jodenjagers. “Wir haben nach vertraulicher Mitteilung die Adresse bekommen wo die obengenannten Juden untergetaucht waren”, schrijven zij. In het bericht staat verder dat Frits, Rosalie en de kinderen geen Jodenster droegen en dat zij in het bezit waren van valse persoonsbewijzen en bonkaarten. De jagers namen 1690 gulden, twee gouden ringen en twee horloges in beslag, die in Amsterdam werden afgegeven bij de Sicherheitsdienst.
Frits en Rosalie komen terecht in de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam, die tussen juli 1942 en eind 1943 fungeerde als de voornaamste verzamelplaats van de nazi's voor opgepakte Joden in Nederland. De kinderen worden tegenover de schouwburg in De Crèche geplaatst. Tienduizenden Joden werden hier geregistreerd en vastgehouden in afwachting van transport naar doorgangs- en vernietigingskampen. Tegenwoordig is het een monument en gedenkplaats.
Een paar dagen na de arrestatie krijgt Harrie, aldus zijn latere verklaring, een briefkaart met het verzoek om een achtergelaten koffer met kleding en voor tien dagen levensmiddelen naar de Schouwburg te brengen. Zijn dochter gaat met hem mee naar Amsterdam, maar zij mochten het gezin niet zien.
Moordmachine Auschwitz
Volgens de administratie van de Joodse Raad, bewaard bij het Arolsen-archief in Duitsland, wordt het gezin Witteboon op 14 augustus afgevoerd naar barak 61 in kamp Westerbork, kort nadat Harrie van de Ven de spullen heeft gebracht. Vanuit Westerbork krijgt Van de Ven nog een kaartje; het is het laatste wat de familie van hen hoort.
Op dinsdag 24 augustus worden Frits, Rosalie en de kinderen met de trein naar Auschwitz gedeporteerd. In diezelfde trein worden in totaal 1001 Joden vervoerd, waaronder 121 kinderen, 233 mannen en 263 vrouwen in de leeftijd tot 50 jaar, en 384 ouderen. Op 26 augustus komen Frits, Rosalie, Hester en Carla aan in Auschwitz-Birkenau. De volgende dag, 27 augustus 1943, wordt de familie Witteboon samen met 717 andere Joden in de gaskamers omgebracht.
Onderzoek verraad
Na de oorlog wordt Jetje Vooren-Levy, de zus van Rosalie, aangesteld als bewindvoerder over de bezittingen. Snel blijkt dat zij niets meer bezaten toen zij onderdoken in Hilvarenbeek. Volgens zoon Jo van de Ven was er verraad in het spel. Hij wees in 2001 in zijn gesprekken met buurman Harry Beckers naar een plaatselijke NSB’er, maar daar is geen enkel bewijs voor gevonden. Na de oorlog heeft de Bijzondere Opsporingsdienst uitvoerig onderzocht wie er in Hilvarenbeek 'fout' waren en wat zij op hun kerfstok hadden. Nergens in die dossiers, die sinds kort allemaal in te zien zijn, staat een verwijzing naar dit familiedrama. Andere kwesties worden wel uitvoerig vermeld.
Het ligt meer voor de hand dat het verraad in Amsterdam plaatsvond. Witteboon kreeg bonkaarten toegestuurd, dus kennelijk was het adres in Hilvarenbeek bij meerdere mensen bekend. Een verrader in Hilvarenbeek zou waarschijnlijk niet 'Amsterdam' maar de regionale Duitse autoriteiten hebben ingeseind.
Berechting
In 1945 worden Van den Berg en Reuskens vastgezet, evenals veel andere leden van de Henneicke-groep. Tegen de leden zijn tijdens de Bijzondere Rechtspleging (1946-1949) 25 doodvonnissen uitgesproken wegens hun betrokkenheid bij de Jodenvervolging. Uiteindelijk worden 16 doodvonnissen in cassatie bevestigd, maar slechts twee leden zijn daadwerkelijk voor het vuurpeloton gebracht. De rest krijgt bij gratieverlening alsnog levenslang.
Hendrikus van den Berg (geboren 1896 te Amersfoort): Deze elektricien was sinds 1933 lid van de NSB. Hij trouwde drie keer, de laatste keer met een Joegoslavische vrouw. Tegen hem werd levenslang geëist; het uiteindelijke vonnis in 1949 luidde 20 jaar. In 1957 werd hij vervroegd vrijgelaten uit de strafgevangenis in Hoorn. Hij overleed in 1967 in Amsterdam.
Paulus Reuskens (geboren 1895 in Nijmegen): Hij werkte voor de oorlog als wisselmakelaar op de Amsterdamse beurs. Zijn tweede vrouw, een fervente NSB’er, kwam ook uit Joegoslavië. Ook hij kreeg een gevangenisstraf van 20 jaar. Reuskens overleed in 1989 in Amsterdam op 93-jarige leeftijd.
Het verhaal van het gezin Witteboon wordt deels ook verteld op de site van Herinneringscentrum Kamp Westerbork, samen met de bij dit artikel geplaatste foto’s die uit een oude doos kwamen toen Nel de Ven in 1983 stierf.
Bronnen:
Nationaal Archief, CABR, inventarisnummer 429 (dossier 166/49)
Nationaal Archief, CABR, Inventarisnummer 64302 (dossier 86/49)
Archief Cees Prinsen
Delpher.nl
Stadsarchief Amsterdam
