Niet alleen soldaten sneuvelen tijdens een oorlog, maar ook burgers betalen een zware tol. Dat geldt zeker voor Hilvarenbeek tijdens de maand oktober, toen granaten neer regenden op het dorp. Op de 4e oktober 1944 was iedereen nog opgelucht dat de bevrijding was gekomen, al was het noorden van het dorp, met name Biest-Houtakker, nog in Duitse handen. Men realiseerde op die dag, toen de Hilverbode na jaren weer met een noodeditie verscheen om de de verlossing aan te kondigen, niet dat het ergste nog moest komen.

door Kees van Kemenade

Het Duitse leger was in volle terugtocht, maar ondanks de zware klappen was het nog niet verslagen. Het plan was om zich achter de Maas te gaan terugtrekken, maar om zoveel mogelijk eenheden de kans te geven om de rivier te bereiken, dienden de Geallieerden die uit het zuiden en oosten naderden, zo lang mogelijk te worden tegengehouden. Hilvarenbeek viel niet te verdedigen, maar Tilburg wel, zeker nu de Leij als linie kon worden gebruikt en er tussen Hilvarenbeek en de stad overal mijnenvelden waren aangelegd. Maar ook voor de voornamelijk Engelsen was de toestand niet al te best. De aanvoer van brandstof en munitie was moeilijk en dus bleef ook de stootkracht beperkt. Even snel Tilburg innemen zat er niet in. De Duitsers van de 256e Volks Grenadier Divisie stelden hun geschut op in het Leijpark en op Broekhoven en begon een artillerieduel met de Britten in Hilvarenbeek. Vanuit de Handelaars beantwoordden zij het Duitse vuur. Militair had het allemaal niet veel zin, maar voor de Beekse bevolking brak nu het ergste deel van de oorlog aan.

Slachtoffers en schade

Drie weken lang duurden de de beschietingen over en weer. Tientallen huizen en boerderijen gingen in vlammen op of werden zwaar beschadigd. Naast een groot aantal gewonden vielen er tien doden onder de burgerbevolking. In het boek ‘Hilvarenbeek 1940 – 1945’ staat het relaas van een van de slachtoffers, Catharina de Brouwer-van de Sande, opgetekend uit de mond van mevrouw Elings. Haar familie had op hun terrein en eigen schuilkelder gebouwd, een diepe kuil met dikke balken er overheen, als bescherming tegen granaatscherven.

“Wij woonden op de Voort. De familie De Brouwer kwam altijd bij ons in de kelder schuilen als er gebombardeerd werd. Het schieten was al begonnen, maar wij waren nog aan het eten. De kinderen kwamen achterom gelopen en riepen: ‘Moeder is dood, en vader bijna!’ Sjef de Brouwer kwam lopend naar ons. Hij bloedde heel erg. Mijn broer Janus en ik gingen naar het huis van Sjef. Mee toen we binnen kwamen, zagen we Catharina zitten aan tafel. Ze waren ook aan het eten toen de granaat viel. Een granaatscherf zat in haar hals. Zij was dood, maar ze was niet op de grond gevallen. Er lag nog een kleine van drie maanden in de wieg. Die heb ik opgepakt. Ze hadden tien kinderen! We hebben alles meegenomen op de platte wagen. Sjef de Brouwer werd door mensen van de Ondergrondse naar het klooster gebracht. Van tevoren hadden we dokter Heezemans en een geestelijke laten komen. Zij hebben hem nog bij ons in de kelder bediend. Hij heeft het overleefd. Maar de wond is nooit meer goed genezen; hij heeft er altijd mee gesukkeld.

Evacuatie

Een groot deel van de Beekse bevolking sloeg op de vlucht voor de beschietingen. Men ging naar de buurdorpen, vooral naar Hooge en Lage Mierde. Vaak hadden ze er familie, maar in tijd van nood zette iedereen in de buurdorpen de deuren wijd open voor de geëvacueerden. Natuurlijk bleven er ook genoeg mensen achter, vooral ook om het vee te verzorgen.

Pas eind oktober trokken de Duitsers zich terug uit Tilburg en stopten de artilleriebeschietingen. Een mislukte aanval van de Prinses Irene Brigade op het zuidelijke deel van Tilburg betekende wel dat de vijand zich terugtrok achter de Leij en dat eindelijk ook Biest-Houtakker bevrijd werd. Bleef wel het gevaar van de verborgen landmijnen die nog voor slachtoffers zouden zorgen. Nu de bevrijding echt was gekomen kon men beginnen met het opnemen van de schade. En die was groot!