Demonen aan het kraambed
door André van Voorst
Lang was de geboorte het hachelijkste moment in een mensenleven. De kraamkamer was voor moeder én kind een gevaarlijke plaats. De grootste killer was de kraamvrouwenkoorts, een infectieziekte veroorzaakt door slechte hygiënische omstandigheden rond de bevalling. Ziekte en dood werden op afstand gehouden met voorzorgsmaatregelen, die we thans als bijgeloof afdoen, maar die een belangrijke functie vervulden in een tijd dat mensen minder op de dokter konden vertrouwen dan nu. Het hospitaal was een sterfhuis, waar de kans op overlijden groter was dan op overleven.
Om onheil over hun kind af te wenden, waagden ouders het niet om al voor de geboorte de naam van hun kind uit te spreken; dat zou dood en duivel kunnen verleiden het kind mee te nemen. Veel magische handelingen waren voorzien van een christelijk vernisje. Zwangere vrouwen dronken inktwater van een bijbelpagina. Na vroom een passage gelezen te hebben, waste een priester de inkt van het papier. Het ritueel had weinig direct nut, maar kon een zwangere vrouw wel zelfvertrouwen geven.
De bevalling zelf kon met gebedsbriefjes positief worden beïnvloed. Terwijl men drie keer een kruis sloeg werd een spreuk opgezegd: ‘Gelukzalige wond, gelukzalig uur, gelukzalig is het uur waarop Jezus werd geboren.’ Mocht een vrouw tijdens de bevalling koorts krijgen, was een andere magische spreuk van toepassing: ‘Hier sta ik aan de Dodenzee en werp daarin de koorts en alle ziekten.’
Navelstreng en placenta
Musea bewaren talloze voorwerpen die getuigen van de magische wereld die bevalling en kraambed omgaven. Een fraai voorbeeld is het kandeelglas uit 1750. Op de rand is gegraveerd: ‘Het welvaaren van de kraamvrau’. Voordat de kandeel, een mengsel van kaneel, kruidnagel en rijnwijn gedronken werd, roerde de vader met een pijpje kaneel door het drankje om kwaadwillende geesten op afstand te houden.
De zilveren tangetjes in de vorm van een ooievaar kregen al voor de geboorte een plek op de schoorsteenmantel om voor moeder en kind geluk af te dwingen. Soms heeft de ooievaar een platte snavel, in dat geval werd het tangetje gebruikt om de navelstreng tijdens het afbinden vast te houden. De tangetjes zijn vakwerk. In de ‘buik’ van de tang is een gebakerd kindje zichtbaar en aan de handgrepen zijn vogelpootjes bevestigd. Soms zit daar een schildpad, het symbool van vruchtbaarheid.
Placenta en navelstreng werden doorgaans weggegooid. Toch wensten veel ouders met name de navelstreng, als tastbare, eerste herinnering aan hun kind, te bewaren in een speciaal doosje. Dat dachten ook de ouders van Anne Sikkema uit Friesland. Hij kwam ter wereld op een koude 31e januari 1853 en zijn navelstreng werd zorgvuldig gedroogd en in een doosje gestopt om boze geesten af te weren die het jochie kwaad zouden kunnen berokkenen.
Magisch zout
De geboorte van een kind was omringd door het geloof in demonen. Na de geboorte mocht de placenta of moederkoek niet worden weggegooid. Tot in de 20e eeuw was het in veel streken gebruikelijk om de placenta met zout te bestrooien voordat het in de tuin begraven werd, het liefst onder een bed rode rozen. Zout zuiverde en was een sterk weermiddel tegen heksen en demonen. Tijdens de doop verjoeg de priester met wijwater en soms opnieuw met zout de laatste demonen die het kind belaagden. Tot in de 20e eeuw omvatte de katholieke doop een exorcisme-formule. Rechtstreeks werd de demon aangesproken: Hupage opisoo mou, Satana, 'Weg daar, achter Mij, Satan'. Tegen een dergelijk krachtig weermiddel hield geen duivel stand. Hij sloeg op de vlucht om het elders opnieuw te proberen.
