door Jan van Helvoirt

Reeds geruime tijd wordt de hoek Markt-Wouwerstraat sterk uitvergroot. Terwijl het vertrouwde ‘Schouwke’ voor de zoveelste keer een andere naam gekregen heeft, wordt de noordgevel door zijn ontsierende buurman behoorlijk te kijk gezet. Het is de plicht van de Beekse regeerders ons Marktveld en haar naaste omgeving met slagvaardigheid te behoeden voor ontsiering en verval. Vroeger trad men wel hard op als rijke omwonenden het recht in eigen hand namen. Als woningen geruime tijd in puin bleven liggen, dan was dat echter vaak puur het gevolg van de armoede en de geweldige recessie waarin men verkeerde.

In 1789 vroeg de kerkmeester Jan Tasset of men maatregelen wilde treffen omdat van teyd tot tijd door de ingeseetenen mutsaardsmeyten, hout, asch, puyn en andere vuylnishoopen alsmede losse boomen werden gestaapelt en gelegt, gelijck mede tusschen de boomen en aan de Kerkemuurkens. Eind achttiende eeuw werden de bruggen weer keurig opgemetseld en de Pensenpoel werd uitgediept. Dirk Jonkers beurde ruim twee gulden voor het netjes vegen van de Beek over het Marktveld. Bovendien werd de gebooden linde keurig gesnoeid. Tot slot werd reeds in 1736 een verordening afgekondigd voor de buren van het Marktveld: dat alle nabueren alhier die eenige boekende strooy, asch of misthopen opt marktvelt hebben liggen voor toekomende donderdag avont alles sullen hebben weg te ruymen.

Als we de nog aanwezige muurankers in het ‘Schouwke’ moeten geloven, dan werd met de bouw van dit statige monument in 1614 aangevangen. In 1623 werd het immers ook een schoon en excellent huys genoemd. Op 24 januari van dat jaar erfden de kinderen Geraert Peter Geraert Hermans Noeyens, die smid was van beroep, het pand. Dat werd Stad Mechelen of kortweg Mechelen genoemd. De bewoners kregen steeds het recht van wegen over de erfenis van hun buurman de Swaen. Hiermee doelde men op het straatje, dat er nog steeds gedeeltelijk ligt met een gemetselde boog erboven. Achterin dat straatje stond een eeuw geleden ook nog een huisje, waarin twee gezinnen woonden. Op het eind van het straatje kon je linksaf richting Zoolpad en Koestraat. Rechtsaf richting Wouwerstraat kon je naar de woning de Decanije. Misschien kreeg het pand de naam ‘Mechelen’ omdat de oud-Mechelaar Christiaen Cauthals vanaf 1611 de functie van deken uitoefende. In 1653 luidde de omschrijving van het fraaie pand: een excellente huysinge met twee gevels, groot camer, keldercamer, keucken, hebbende eenen plaetse tot winckel, backcamer, cleyn camer ende moescamer. De genoemde ‘winckel’ was wellicht de werkplaats van de smid. Er werd niet gerept over een mogelijk brouwhuis of herberg. Die is er tot omstreeks 1900 ook niet geweest.

Na de verwoesting van het Dekenhuis naast de IJpelaar in de Wouwerstraat kreeg de Beekse predikant aan de noordkant van de Markt omstreeks 1717 een nieuw onderkomen en de functie van het straatje kwam enigszins te vervallen. In 1741 was het gemeenschappelijk belang van het straatje toch nog niet helemaal verloren. Pieter van Andel verkocht toen de Swaen aan Pieter Timmers. Als noordelijke belending kreeg het pand mee: Maria dochter Jan van de Kieboom en een gemeenen straat. In een eerdere verkoop van de Swaen kwam het straatje ook al aan bod. Het pand werd belast mettet servituyt van te wegen. Hiermee bedoelde men ‘servituut’, hetgeen betekent: recht van overweg. De huidige gevel is omstreeks 1900 vernieuwend vervangen en symmetrisch gemaakt waardoor het originele wolfseind veel kleiner is geworden. Daarvoor lag de herberg, aanvankelijk ‘Marktzicht’ en later in de jaren ‘60 ‘Kerkzicht’ geheten, ook met zijn lange veel hogere zuidgevel en met de nok evenwijdig aan dat straatje.

De oudst bekende geschiedenis van de bouwplaats gaat terug naar 1525. De bewoner was Dirck Wouter Thielmans die Brouwer. Misschien was naar hem ook het stuk grond aan de Wouwerstraat genoemd: Brouwersbocht. Zijn zoon Adriaen verkocht het aan Jan Peter van Hese die het op zijn beurt overgaf aan Cornelis Jan Schilders. De naam Wapen van Mechelen kan ook dateren uit de tijd dat deze twee laatsten, beiden leden van bekende Beekse voerman families, de eigenaren van het pand waren. Bekenaren dreven toen veel handel met Mechelen. Een maand later echter al werd de smid Hendrik Peter Lodewijcx de eigenaar. De laatste bewoner van het ‘oude huis’ vanaf 1581 zal genoemde Geraert Peter Geraert Hermans Noeyens geweest zijn. Wellicht dat hij in die periode ook ‘nieuwbouw’ pleegde! Misschien ook dat de gewelddadige brandstichtingen tijdens de Tachtigjarige Oorlog in 1583 of 1587 daaraan ten grondslag hebben gelegen. Panden bleven soms jarenlang in chaos liggen om later weer te worden opgebouwd. Zal dat ook nog ooit gaan gelden voor… de noorderbuurman?