door Jan van Helvoirt

Op 12 augustus 1925 was de vermogende ondernemer Antoon van Dijk toch maar in de pen geklommen. Hij lette niet op de nodige interpunctie en zijn wijze van formuleren was bijna ‘stijlloos’. De toenmalige directeur van de NV. Steenfabriek Esbeek maakte zich grote zorgen over de veiligheid in en rondom zijn fabriek aan de oude baan van Hilvarenbeek naar Esbeek. De Beekse gemeenteraad had eerder op 7 augustus besloten om het Woonwagenkamp te verplaatsen naar een akker van P. van Kemenade kort bij de ‘Esbeekse Steenoven’. Hij gaf aan dan hij rondom de fabriek, met materialen zoals kolen, gereedschappen en paardenvoer, niets kon afsluiten. Kortom gezegd: Alles licht daar voor het vatten! ’s Nachts durfden de stokers niet alleen op de oven te stoken en een tweede man neerzetten was natuurlijk financieel geen optie. De zaken gingen toen toch niet meer zo vlot op de ‘stinove’. De directeur eindigde met het dreigement: Anders gevoelen wij ons verplicht onze reclame naar ’s Bosch te zenden. Het klagende schrijven van de weduwe van de vermogende notaris Emile Huijsmans (zie foto) in dezelfde week, gericht aan de Raad van Hilvarenbeek, was in elk geval wat sierlijker. Maar inhoudelijk kwam het er ook op neer dat de verplaatsing van het Woonwagenkamp door de gemeente Hilvarenbeek volgens haar een zeer slecht idee was. Dit vooral met het oog op brandgevaar voor nabijgelegen gronden en bosschen. En die laatste waren bijna allemaal in het bezit van deze steenrijke weduwe!

Een dag eerder had een alarmerend schrijven van een groep illustere Esbekenaren (allen uit de Broeksie) de gemeente ook al bereikt. H. van Dommelen, H. Evers, de weduwe A. van Dommelen, J. van Doormaal en de kinderen De Kort waren unaniem van mening dat hun akkers niet beveiligt zijn, en veel minder dan tans bestaande plaats onder toezicht van polissie gehouden kan worden. En ook wij zelve geen toezicht kunnen houden. Een groep verontruste brave bewoners van het Laag Spul zou zelfs meteen willen gaan reclameren bij Gedeputeerde Staten. W. Gerritsen, A. Vugts, M. Rens, J. Schilders. J. van Gool en H. Scheepens vonden dat hun akkers helemaal zonder toezicht lagen. Men kon dus daar ‘hun genoegen’ zomaar halen, zonder dat het iemand zou zien. En zij voegden er aan toe: Verder zijn hier in de buurt overdag de manspersonen nooit thuis, daar die moeten gaan werken voor hun dagelijks brood te verdienen! Al deze boze brieven waren het gevolg van eerdere protesten van de bewoners van het Spul op 25 mei van dat jaar. De Beekse raad had eerder een plaats aangewezen die veel dichter bij de bebouwing van het Spul lag. En daar stonden de woonwagens ook geruime tijd. En dat zou nog even duren. Opnieuw protesteerden enkele bewoners van het Spul. Hun woordvoerder zei: “Ik acht het mij verplicht wegens de opvoeding mijner kinderen om geen moeite te sparen om het te verwijderen”.

En hij werd met opgeheven vinger bijgestaan door een andere moraliserende Spulse boer: Ze staan maar 100 meter van mijn huis en het gaat mijn kinderen niet uit het oog en oor hoe die menschen tegen elkander en hunne kinderen vloeken, verwenschen en schelden, tot zelfs hunnen handelingen die voor de kinderen nog veel minder passen. Na rijp beraad ging de raad overstag.

In 1928 kocht Jan van de Broek het ‘oud woonwagenkamp’ van de voormalige baanstropers voor 600 gulden. De gemeente wees in 1929 een nieuwe locatie aan: sectie A nr. 1331 aan de Tilburgseweg. Meteen op 6 augustus liet men daar weten dat zij zeer slechte ervaringen met een eerder ingericht kamp hadden. Bovendien was er bij het Spul behoorlijk politietoezicht en op de Westerwijk niet. Daarna reageerden op 9 november opnieuw zeer boze bewoners van de Grote Westerwijk met ‘schrik en beven’. Veldvruchten werden geroofd, spek, eieren en brandhout gestolen. Uit vrees voor brandstichting, al onze huizen hebben strooien daken, durfden wij niets weigeren. Eerder op 17 augustus had de Esbeekse houtvester ir. Cornelis Sissingh ook al van zich laten horen. Het Landgoed De Utrecht was in die periode enige tijd eigenaar van de Esbeekse Steenoven. Hij was van mening, dat verplaatsing richting Esbeek alleen maar meer problemen zou veroorzaken. Een goede oplossing zou zijn om het kamp zo dicht mogelijk bij de ‘standplaats der politie’ te plaatsen. Dat had de plaatselijke Koninklijke Marechaussee trouwens per brief ook al aan de burgemeester laten weten. Ook zou een nieuw terrein weinig aanlokkelijks moeten hebben voor de zwervende bevolking om er hun tenten op te slaan. Maar de allerbeste locatie voor ‘armoedige gelukzoekers’ was in die tijd toch eigenlijk alleen maar… het prille Landgoed De Utrecht zelf!