door Jan van Helvoirt
x
De Drentse kunstenaar Jan Meine Jansen werd op 17 februari 1908 als zoon van een kruidenier in Meppel geboren. Graag was hij na de lagere school naar het gymnasium in Zwolle gegaan. Maar dat kon zijn moeder, in 1923 weduwe geworden, niet bekostigen en dus werd het de hbs in zijn geboortestad. Op zijn eindexamen haalde hij bij twee vakken een negen: voor gymnastiek en voor tekenen. In 1928 begon hij voorspoedig op het Rijks Instituut tot Opleiding van Tekenleraren in Amsterdam. Dat was toen gevestigd in het Rijksmuseum. Daarna bezocht hij met succes de Rijksacademie zodat hij zich tot vrij kunstenaar kon ontwikkelen. Daar ontmoette hij ook zijn latere vrouw Johanna Nengerman. Haar moeder Hèlene Ingenegeren (1880-1964) was getrouwd met Arnold Adolf Nengerman, die in 1902 directeur van de Nederlandse Heidemaatschappij geworden was. In mei 1939 trouwde de kunstenaar met ‘Hans’ en zij was dus de kleindochter van W. P. Ingenegeren, de stichter van Landgoed De Utrecht in Esbeek in 1899.
Vlak na de bruiloft streek het jonge bruidspaar neer op het landgoed en zij gingen wonen in het vakantiehuis de Merel. Dat was een houten zomerhuisje dat in 1919 werd gebouwd aan de keiweg naar Lage Mierde. Eigenlijk wilden zij naar de kunststad Parijs, maar de toenemende oorlogsdreiging maakte het onmogelijk om gedurende langere tijd naar het buitenland te gaan. Hun verblijf op de Merel zou wellicht voor korte tijd zijn, maar door de oorlog bleef het kunstenaars echtpaar noodgedwongen zeven jaar in Esbeek wonen.
x
Het Esbeekse zomerhuisje was klein en primitief. Het drinkwater moest gefilterd en gekookt worden, maar het was hun eigen wens om hier te gaan wonen. Omdat er te weinig ruimte was om te schilderen bouwde zijn vriend en architect Romke de Vries in de tuin een demontabel houten atelier. Op het landgoed zag hij meteen de ongecultiveerde ‘oer cultuur’. Hij tekende en schilderde graag in de Hertgang, bij de vennen de Flaes en het Goor en aan de oevers van de sterk meanderende Reusel. Ter plaatse maakte hij schetsen en aquarellen en werkte die later in zijn atelier uit. Regelmatig kon hij toch ook nog deelnemen aan tentoonstellingen, zoals in 1939 in Amsterdam en in 1940 in Utrecht. Een recensie noemde een van zijn bloemstukken fleurig en feestelijk van tint en een ander getuigde van oyeuze zwierigheid. Vervolgens werd zijn Esbeekse schilderij ‘Bloeiende Boom’ omschreven als gevlam van tintelend rood tegen groen.
Jan trok er regelmatig met de fiets op uit en het fraaie middeleeuwse kerkje in Middelbeers hield hem bezig. Hij maakte tekeningen van het kruis en het oude kerkhof. Daar maakte hij de fraaie prent De Stobbe, met op de achtergrond Duits afweergeschut en de ruïne van de Middelbeerse kerk. Op 22 november 1941 hadden de Duitsers in Nederland de Kultuurkammer in het leven geroepen. Hij weigerde echter en kreeg daarmee veel problemen en dreigbrieven.
x
Het gezin kon gedurende de oorlogsjaren financieel terugvallen op haar rijke familie en op de tuinman van Rustoord die allerlei etenswaren verstrekte. De boeren van het landgoed leverden groenten en graan en wekelijks kon de kunstschilder zijn brood bakken. Zijn drie kinderen Arnold (1941), Wolter (1942) en Jenno (1945) kwamen niets te kort. Tijdens de inval in mei 1940 hadden de Duitsers dagenlang gevochten met Franse troepen en hun huisje stond aan de aanvoerroute. Geregeld moesten Jan en zijn vrouw ’s nachts schuilen in een kippenhok of een hooiberg. De ‘Esbeekse kunstenaars’ hadden ook contact met het plaatselijk verzet en regelmatig namen zij onderduikers in huis.
De bevrijding in oktober 1944 verliep niet vlekkeloos. Er werden Duitse kanonnen in de tuin geplaatst en daardoor werd hun woning het doelwit van beschietingen door Engelse vliegtuigen. Doordat er ook nog een Duitse officier in de Merel werd ingekwartierd, namen zij de wijk naar het nabijgelegen Rustoord. Nauwelijks waren zij daar aangekomen of er vielen wel tien granaten. Een onderduiker getuigde: “Later bleek dat ze tussen de Merel en Rustoord gevallen waren, want op het veld hing kruitdamp. De tuinman Antoon de Wit werd helemaal onder het glas bedolven, toen hij in de kas werkzaam was. De granaatscherven waren op het balkon van Rustoord en bij de garage neergekomen.”
Eind 1946 kon Jan met zijn gezin eindelijk Esbeek verlaten en hij ging inwonen bij zijn schoonmoeder op haar deftige buitenverblijf Beukenrode in Doorn. Maar eerst moest hij nog feesten tijdens het koperen huwelijksfeest van Jan en Janske van Dal op donderdag 26 oktober 1945. Er werd volop gebuurt en gedronken en uiteindelijk danste en zwierde ook onze gereformeerde ‘lenige kunstenaar’ van boven de rivieren in het Brabantse land vanuit de Esbeekse herberg op het Hoogeind creatief… de vrijheid tegemoet.
