door Jan van Helvoirt

De bekende Beekse schoolmeester Hendrik Broeders schreef in 1838 in een klein handzaam boekje voor de schooljeugd zijn, inmiddels vaak aangehaalde, goedbedoelde lessen op:[Haardgang of Herdgang betekent zoo veel als buurtschap of gehucht. Het is thans eene onbewoonde plaats oostwaarts van Dun; vroeger stond hier een oud slot of kasteel, waarvan de grachten nog te zien zijn. Hij voegde er zelfs aan toe dat het een klooster van de Tempelridders geweest zou kunnen zijn. Of nog erger: een jachthuis van de hertogen van Brabant. Doch het toppunt was de veronderstelling dat hier het aanvangspunt der bebouwing van Hilvarenbeek was, en men zelfs het voornemen had hier den toren te plaatsen. Leonardus Jurgens, de eerste Esbeekse pastoor, noemde in 1889 in zijn Memoriale Parochiae het een thans onbewoond gebied en maakte er verder geen woorden aan vuil. Begrijpelijk: hier was sinds vele decennia geen enkel zieltje meer te winnen!

De eerste houtvester van De Utrecht wist kort na 1900 nog te melden dat de vermeende Tempelieren hier hun jachtpartijen hielden, gezeten op paarden met gouden hoeven. En jagen kon men er tot in de vorige eeuw volop, getuige ir. Sissingh: “Verschillende soorten eenden en snippen en voorts otter, das, ree, haas, gans, fazant, korhoen, duiven, ze zijn hier te vinden, en wanneer op een mooien najaarsdag het bosch schittert in zijn gouden dos, de frissche, prikkelende lucht ruimer doet ademen, dan is het een genot hier rond te dolen”. Sissingh vergat in zijn euforie zelfs de raaf, die in 1917 in De Hertgang toch nog werd waargenomen!

De bekende Esbeekse landbouwonderwijzer Lauwers deed dat ook graag en wist al iets genuanceerder door de Hertgang te lopen, door met beide benen op de grond te blijven. Hoewel hij bij de resterende grachten van de Hertganghoeve nog fundamenten van een Frankisch gebouw meende los te kunnen peuteren, zag hij al scherp de contouren van de wallen van de aloude akkers en beemden. Ook wist hij te melden dat de laatste boerderij, er stond er overigens maar één, in 1828 werd afgebroken. Helaas dacht hij bij het horen van de naam steeds meer aan ‘herten’ en maakten spookachtige verhalen over ‘een schat van een vrouw’ rare bokkensprongen door zijn hoofd. Gelukkig wist hij drie namen op een rijtje te krijgen: Coevoirt, Dun, Hertgang.

Laat ik nu als voormalige Esbeekse landbouwmeester, geboren en getogen te Diessen, er meteen twee aan toevoegen, zodat we vijf kleine wooneenheden aan de oevers van de Reusel stroomafwaarts van west naar oost hebben: Moleneind en Gijseleind met de voormalig wispelturig kronkelende onstuimige Aa als levensader.

In de jaren ’60 van de vorige eeuw verschenen bij regelmaat prachtige verhalen en beschrijvingen van landgoederen en natuurgebieden in onze regio. Zo ook wist Pierre van Beek in 1969 voor Het Nieuwblad van het Zuiden een smakelijk artikel te maken met als titel: “Natuur viert haar orgie in Hertgang”. Hij bezag ons gebied als volgt: de Hertgang dankt zijn specifiek karakter aan het feit, dat het een oud beekbos is, dat zich aan weerskanten van de naar het noordoosten stromende Reusel uitstrekt, zonder dat de beek hier echt een dal vormt. Bovendien meende hij dat het gebied rond 1900 ontsnapt was aan het werk van de ploegende ossen en de latere stoomploegen, zodat de Hertgang aan beide oevers van de Reusel onberoerd voort kon meanderen.

Helaas: juist deze stroken naast de Reusel kenden een ontginning vanuit het begin van de veertiende eeuw. Gestart met een leengoed te Dunne van Rogier van Leefdael onder de hertog van Brabant, strategisch gelegen aan de zuidgrens van Beek, werden er akkers en beemden aangelegd en zorgvuldig omzoomd met mooie aarden wallen. Het leengoed viel uiteen en men bouwde er vele boerderijtjes, waarvan er enkele nog overeind zijn gebleven. Men was zuinig op deze enclave in de woeste omringende heide die pas veel later rond 1900 ontgonnen zou worden. Zo kon op dat tijdstip cultuurland vervallen tot ‘natuur’, terwijl de omringende heide ontgonnen werd.

Het smalle oevergedeelte tussen de Bockenreijder en de boerderij van Dries Broeders op de Heikant krijgt altijd het stempel ‘eeuwenoud natuurgebied’ opgedrukt. Niets is minder waar! De naam Hertgang komt voort uit het vergeten toponiem: Eertganc (smalle stroken langs vrij snel stromend water). Begrijpelijk dat de oevers van de Aa, die ’s winters altijd overstroomden, al eeuwenlang beboerd werden. Aan de westkant werd de Hertgang begrensd door een tweetal boerderijtjes net vóór de Bockenreijder, die rond 1900 in vlammen opgingen.

De bende van de ‘Bokkenrijders’ hebben niets te maken met deze uitspanning. Ook de brute moord op de oude Jan van de Sande op Dun op 12 januari 1758 heeft niet geleid tot die ‘sinistere’ naam. De naam Bockenreijder berust op een taalgrapje! Nadat de ‘Jeugdherberg de Hertgang’ van rentmeester Herman Wormgoor al na twee jaar met naam en al werd verplaatst naar Hilvarenbeek opende hij er recht tegenover in de karschop de huidige Bockenreijder. Uitgaande van een verkeerde interpretatie, ook Wormgoor wist toen nog niet wat de naam ‘Hertgang’ historisch gezien betekende, kwam de vindingrijke Esbeekse houtvester tot de tegenstelling: ‘hert----bok en gang (gaan)---rijden’. Welke vindingrijke ideeën kunnen we in de nabije toekomst nog meer verwachten van onze… huidige rentmeester?