door Jan van Helvoirt

In vroeger eeuwen was reizen van het ene dorp naar het andere nog een hele onderneming. Halverwege wilde men wel eens uitrusten en iets eten of drinken. Op de grenzen van de woonplaatsen vond men vaak herbergen evenals aan het eind van de bebouwing. Zo mocht Jan Damen sterke drank verkopen in het Huiske ten Halve zowat op de grens van Beek en Diessen. Op de grens van Moergestel en de Hoge Haghorst tapte Jan van de Laar voor zijn passanten. Op het Heieind tussen Haghorst, de Beerzen en de Baest stond eeuwenlang een herberg. Tussen Esbeek en Baarschot wisten alle passerende reizigers de herberg genaamd de Lange Gracht te vinden. Voerlieden vanuit De Mierden legden vaak automatisch aan op het Hoogeind aan de rand van Esbeek bij de herberg van Jan Wilborts op D-60. De paarden stopten meestal vanzelf. Bij herberg de Rook op Roovert tussen Beek en Poppel kon de reiziger rustig even bijkomen. Als men Diessen verliet richting Biest-Houtakker ging menigeen nog snel even binnen in de herberg van Cornelis Moonen op het Lurinxeind. Binnen de kleine kernen stonden uiteraard ook herbergen. Esbeek, de Biest, Baarschot en Haghorst kenden er alle minstens twee. Rond 1900 waren er in Diessen de herbergen van Jan Schravens en Frans Vingerhoets op het Laar. Den Heuvel had drie herbergen: Petrus van den Hout (A-50), Jan Timmermans (A-47) en de weduwe van Jan van Helvoirt (A-46) die tevens logementhoudster was. Het grotere dorp Hilvarenbeek bezat de meeste herbergen.

In de Gelderstraat waren de meeste tapperijen. Augustinus Naaijkens had daar op A-76 een volledige vergunning. Graag had hij later ook een bioscoop geopend, maar die ging uiteindelijk naar Goes/Brekelmans in de Doelenstraat. Zijn noorderbuur Frans Damen (A-78) runde de Valk. Hij was behalve logementhouder ook verhuurder van rijtuigen. Jarenlang was hier ook een Tramstation ingericht. In 1912 kreeg hij toestemming om uit carbid het explosieve acetyleengas te ontwikkelen. Op A-8 runde de weduwe van Frans de Bruin een café. Naast de kerk zat de weduwe Damen met een herberg (A-3), achtereenvolgens de Valk, de Ouwe Kuyp en St. Petrus geheten. De zuiderbuur op de hoek A. Verheggen (A-4) runde een slijterij. Willebrord Blankers werd in 1904 in de Gelderstraat A-32a ‘bierhuishouder’ genoemd. Men kon terecht in de voorkamer, de keuken en de bijkeuken. Op de hoek van de Markt bezat Theodorus Kemps een herberg genaamd de Ossenkop. Gedurende vele eeuwen stonden er aan die Markt veel herbergen die inmiddels weer zijn verdwenen. Maar in 1900 runde Jan Verhoeven zijn herberg op de Hoge Zij (A-128). Daarnaast oefende hij ook het beroep van smid uit. Enkele deuren verder op A-131 zat Engelbertus Ketelaars in zijn Café De Zwaan. Men had de beschikking over drie kamers. De weduwe Kuipers had aan de zuidzijde op A-259 een slijterij. Aan de Diessenseweg kon men een drankje nuttigen bij Johannes Jansen (A-24). Later ontstond hieruit de Tent, nu Hotel Brabant. Men kon verder terecht bij Jan Loyens op A-34. Deze tapper kreeg in 1914 ook vergunning om een schietinrichting met den kleinen kruisboog op te richten. Men moest wel opletten, want die schietbaan lag pal naast de ‘Oude School’ aan de Paardenstraat. Eerder in 1904 dreef Jan Loyens een herberg op de Varkensmarkt.

Adriaan van Alphen verkocht zijn drankjes aan de Tilburgseweg op C-42. Op Slibbroek mocht de herbergier Arnoldus van Dal op B-118 in 1908 op de Christjes Dries achter zijn herberg een schietinrichting met de handboog oprichten. In de herberg waren aanvankelijk de keuken en de rechter zijkamer beschikbaar. Ook de molenaar en herbergier Piet van Rijswijk probeerde meer klanten te lokken. Ook hij richtte een schietbaan met den kleinen kruisboog op. Piet Horrevorts had al langer in de ‘beneden voorzaal’ een tapvergunning op B-120 genaamd Café Den Hemel. In de Doelenstraat zagen we Michiel Pigmans met een herberg op A-173. In de Paardenstraat was Maria van den Berg actief in de horeca. Zij woonde op A-196 en zorgde dat de leden van het ‘Weerbaarheidskorps Princes Juliana’ achter haar huis volop konden schieten. Ten behoeve van dit korps en het ‘Kamp Wilhelmina’ kreeg zij ook toestemming om een bergplaats voor patronen te bouwen. Vaak had de uitbater er een ander beroep bij. In de lijst van 1904 zien we de schoenmaker Petrus Bruurs als bierhuishouder in de Voortsepad (A-154). Daar was ook de timmerman Jan Smolders actief op A-143. Bedenkelijk veel werd er getapt in de Beerten. Johanna de Wijs op B-42c, de schoenmaker Jan Coppens op B-42h en Gerardus van Hees op B-18. Verder tapte Antonie de Rooij op B-22 en de boer Jan van Eijndhoven in het Klokkenkuilstraatje op B-23. Tot slot werd de schilder en slager Henri Brekelmans in de Doelenstraat op A-170 als herbergier vermeld in de voormalige ‘Armenschool’. De locatie werd nader aangeduid als ‘in de oude zusterschool’. Van zijn dochter Miet kochten wij in de jaren ‘60 een flesje bier en daarna een bioscoopkaartje voor 1 gulden 10. Haar man Cees was echt vooruitstrevend met betrekking tot de gezondheid, want zwaaiend met zijn zaklamp riep hij steeds vermanend: “Geen rokertjes!” Of was hij bang voor een uitslaande brand… in zijn historische herberg?