Toch maar goed dat er een Heemkundige Kring die de mensen hier wijst op de waarde van hun eigen leefomgeving. Als je waardeert waar je woont, dan zet jij je ook in voor het behoud daarvan. In het verleden is er veel moois verloren gegaan, maar mede door de inzet van heemkundigen is dat nagenoeg gestopt. In de meest recente publicatie van de Kring wijzen ze op het dorpsgezicht dat voor een flink deel is bepaald door vier architecten.

door Kees van Kemenade

Ooit waren de woningen hier simpel, gemaakt van balken, vlechtwerk en leem. Stenen werden niet veel gebruikt. Natuurlijk de kerk was van baksteen en natuursteen, maar dat was een eenmalige bouw van lang geleden. De bevolking groeide nauwelijks door oorlog, kindersterfte, ziekten en honger. Oude huizen werden eindeloos opgelapt. Maar aan het einde van de achttiende eeuw, de Eeuw van Verlichting, begon de bevolking te groeien en werd er weer nieuw gebouwd. Nu ook in baksteen. In de volgende jaren werd dat steeds professioneler aangepakt en langzaam kreeg het dorp het aanzicht van nu.

Voor de bouw van al die woningen, winkels, boerderijen en landhuizen, gemeentehuis enz. zijn vier architecten verantwoordelijk: vooral Jos Bedaux, maar ook Janus Smolders, Antoon Smolders en Pierre Tooten. In een doorwrocht artikel gaat Ton de Jong in op deze vier mannen en hun werkwijzen, maar hij neemt ons al lezend mee op een wandeling langs vierentwintig panden die we alle dagen kunnen zien, maar als wij de verhalen erachter kennen, nog interessanter gaan worden. De oude herberg De Ossekop bijvoorbeeld, een authentiek Kempisch woonhuis, werd compleet gesloopt door architect Bedaux, wat hem de vijandschap van dokter Ruhe opleverde. De beton- en glasbouw van de Boerenleenbank die de architect ervoor in de plaats neerzette, voldeed op den duur ook niet. Dus werd de gevel aangepast aan de Vrijthof en de overige architectuur. En nu worden het appartementen op een A-locatie. Dan is de oude R.K. pastorie, óók van Bedaux en er pal tegenover, een voorbeeld van een meer geslaagde herbouw.

Geheimzinnige torentekens

Tussen Paradijs en Toekomst, genoemd naar twee toponiemen in het uiterste noorden en zuiden van de gemeente, biedt de lezer nog veel meer. Piet van Asseldonk verzorgt een biografie van een van die architecten, Pierre Tooten. Hij verhuisde vanuit Beek naar Veghel en rees daar tot grote faam.

Emmanuel Naaijkens schrijft over oude gebruiken, hoe die zeventig jaar nog levend waren in Diessen. Sommige zijn verdwenen, zoals het gezamenlijk bidden van de rozenkrans bij een overledenen, anderen zoals burenhulp, worden weer gerevitaliseerd met de buurtcirkels.

Kloosters bezaten vroeger overal boerderijen, molens, viswaters, enz., die zij verpachten en als inkomstenbron gebruikten. Jan van Helvoirt, als geen ander thuis in de archieven, beschrijft een hoeve van de abdij in de kleine vrouwenrepubliek Thorn, gelegen op de Biest. Hij heeft de juiste locatie teruggevonden. De Franse Revolutie, die ook tot hier doordrong, maakte een einde aan dit soort kloosterbezit.

Bob Duijvestijn keek met een open oog naar de torentekens in gesinterde stenen. Zijn het tekens en symbolen van de groepen bouwvakkers die rondtrokken (er werd hier niet in steen gebouwd) en in 1450 deze Beekse toren bouwden? Of schuilen er andere geheimzinnige verhalen achter? Misschien komen we er nooit achter, maar ze zijn wel intrigerend. Schenk ze maar eens een blik als je langskomt.