door Jan van Helvoirt

De heemkundige Frans Goris schreef enige jaren geleden een doorwrocht artikel in De Kleine Meierij over een beroemde uurwerkmaker uit zijn geboortedorp Moergestel. Deze Wilhelmus Witlockx (1669-1733) gold tussen 1713 en 1733 in Antwerpen als de meest beroemde klokken- en beiaardgieter van de Lage Landen. Nu nog kunnen we een carillon in het enorme paleis in Mafra (Portugal) en een ander in Tienen (België) aanschouwen. Na een grondige restauratie mogen we spoedig weer de welluidende klanken aanhoren.

Zijn moeder was Maria Willems Walschots, een telg uit een oud geslacht van smeden in Moergestel. Rond 1680 vertrok Antonius Walschots (Moergestel 1660) naar Hilvarenbeek. In de bewoningslijst van 1 april 1698 is hij met zijn vrouw Jenneken en zijn dochters Anna en Cornelia zowat de buurman van Jan Goissens die in de latere brouwerij de Roos woonde. Zijn zoon Hendrik had op 6 juni 1692 al de nieuwe Waag tegen de Kerktoren getimmerd en in 1697 mocht Anthony zelf de ‘Geboden Linde’ op de Markt ‘repareren’. In 1702 herstelde hij vakkundig de omvergeblazen poort van de Decanij in de Wouwerstraat. Blijkbaar was Hendrik ook smid, want in 1720 verving hij het ijzerwerk van de ‘galderij om de toren’. Twee jaar later richtte hij op de Markt het schavot met de galg op. Tot slot repareerde hij de Roovertse Brug.

Nadat onze kleine Willem Witlockx uit Moergestel wees geworden was, gingen zijn mombers in 1682 voor hem een geschikte leermeester zoeken. Zij kwamen in Hilvarenbeek terecht bij Peter Dawans en daar werd Willem voor tien gulden geplaatst als leerling-gezel. Om de onkosten te kunnen betalen voor het afleggen van de eed voor aspirant-meester of gezel, ging Willem op 10 augustus 1683 in Moergestel achttien stuivers ophalen. De schepen Christoffel Dawans kocht in 1658 het woonhuis de Engel aan de westkant van de Markt. Wellicht dat hier de aanstaande klokkenmaker Witlockx bij diens zoon Peter in de leer ging. Peter verkocht de Engel met het Achterhuis bestaande uit twee woningen in 1698 en hij verhuisde naar een woning achter de kerk.

Vermoedelijk reisde Willem Witlockx in 1687 naar Antwerpen om zich daar verder te bekwamen. Hij beheerste de konste vant drayen als andersins waer inne hij nu tegenwoordich soo wondere geavanceert is dat hij drayen ende maeken can alderhande rareteyten soo in hooren, schilpad, ivoir als in alle andere materie daer toe bequaem. Na zijn tweede huwelijk met de Oirschotse Maria Timmermans stierf zijn enige zoon en opvolger Gielielmus. Daarom verscheen de Bekenaar Jan de Hondt de Jonge (1681-1741) definitief in Antwerpen. Hij was de zoon van de Beekse wagenmaker Steven de Hondt. Bij de grote dorpsbrand van 1694 leed Steven op het eind van de Gelderstraat een schade van 1200 gulden en verloor alle meubele gereetschap en timmerhout. Kort na 1700 verrees op die plaats een nieuwe woning waarin Nilliske van Raak de laatste bewoner was (zie foto). Jan de Hondt was gehuwd met de Beekse Cornelia Walschots, zuster van Hendrik en dochter van Antonius Walschots. Na de fatale brand van 1694 zien we hem terug in de lijst van 1698 als buurman van pastoor Peter Bruers die in de Sonne woonde. Daarna vestigde hij zich met zijn gezin in de Suijkerstraat dicht bij de Antwerpse kathedraal. Daar bevond zich ook een grote werkplaats waar de speeltrommels werden gemaakt. Een jaar eerder had hij al het stadsuurwerk mogen herstellen en dat bestaat nog steeds. Deze meester uurwerkmaker was beyaertmaker van synen stile. In 1720 had hij in de Beekse kerktoren het uurwerk mogen repareren en bovendien een ‘andere trom’ gemaakt. Witlockx en De Hondt werkten zeker samen in Antwerpen. In 1731 probeerde de Bekenaar nog een kant en klare beiaardtrommel voor Witlockx te verkopen. Beiden waren productief in Diest, Lier en Mechelen.

In deze laatste stad maakte Jan de Hondt de constructie voor de trommel in de Romboutstoren. Jan verzorgde verder het smeedwerk en leverde ijzeren klavieren, hamers en tuimelaars. Hij werkte ook nauw samen met de hooggewaardeerde klokkengieter Joris Dumery, die gehuwd was met zijn oudste dochter Maria de Hondt (Hilvarenbeek 1716). Deze Joris goot de messing baldakijn pilaren voor het frame in de Mechelse toren waarin de trommel moest komen.

Na de dood van Jan de Hondt in 1741 vertrok zijn schoonzoon Joris voor een zeer grote opdracht naar Brugge. In 1743 kwam hij terug naar zijn Antwerpse woning dichtbij het huis van wijlen Jan de Hondt om zijn testament op te maken: sr. Georgius Du Merij mr. Clockgieter ende jouffrouw Maria de Hondt sijne huijsvrouwe ten woonhuise van de testateuren gestaen inde Suijkerstraet. Na het overlijden van de Beekse uurwerkmaker namen twee van zijn zonen, Anthony en Jan, het bedrijf van hun vader over. Ook de twee andere zonen Steven (Hilvarenbeek 1720) en Gerard (Hilvarenbeek 1726) werden uurwerkmaker. Anthony was in Beek geboren op 18 augustus 1717 en zijn broer Jan aldaar op 1 januari 1725. Deze twee oud-Bekenaren deden zeer goede zaken in de Vlaamse steden. In 1743 had hun schoonbroer 38 nieuwe speelklokken gemaakt voor de stad Brugge. Het jaar daarna begonnen de broers De Hondt aan de constructie van de negen ton wegende speeltrommel voor het Belfort in Brugge. Dit carillon met een echt Beeks tintje is altijd nog in werking. Maar wie nu hier de ‘Beekse speeltrommel’ uit de Bossche St. Jan vakkundig moet gaan restaureren… weet geen hond!