door de Bikse bie

Mia, de rosse metselbij

De tuin van de mensen is prachtig. En ik heb het hier goed naar mijn zin. Er staan veel kruidachtige planten, zoals het knoopkruid waar ik dol op ben. En het is gezellig. Ik heb al een praatje gemaakt met Bomba, de hommelkoningin. Tronka, mijn buurvrouw kennen jullie ook. Zij woont, net als ik, in het bijenhotel, maar heeft een heel ander huis. Tronka woont in een houtblok en ik ben gaan wonen in het soepblik van de jongen. Daar heb ik een bamboestengel uitgekozen. Nou ja, uitgekozen, ik ben er zelf geboren. Ik voel me daar op mijn gemak. Als de stengel schoongemaakt is, kan ik wel tien broedkamertjes maken voor mijn kinderen. De muurtjes metsel ik van modder, vandaar mijn naam metselbij. En ik ben heel slim: het laatste kamertje laat ik leeg. Als de gevaarlijke wesp met zijn lange legboor dan door het muurtje heen prikt, denkt hij: hier is niks te halen.

Bijtgraag de grote wolbij

Ik ben Bijtgraag en ik ben gevaarlijk. De meeste bijen blijven bij mij uit de buurt en daar doen ze verstandig aan. Ik ben een grote bij en heb vijf stekels op mijn achterlijf. Verder deel ik vaak kopstoten uit en kan venijnig bijten. Ze noemen mij wel de vliegende ridder, omdat ik mijn gebied fel verdedig. Net als een echte ridder, doe ik dat voor mijn vrouwtjes. Ik bewaar de beste bloemen voor mijn wolbijdames.

Ook de honingbijen uit het kleine bos vliegen naar de tuinen van de mensen. Het is wel ver, maar de moeite waard. In de tuinen staan heerlijke bloemen vol nectar en stuifmeel. Veel meer dan in het kleine bos waar ze wonen. Ze komen ook in de tuin waar Bijtgraag woont. Nu heeft Bijtgraag een honingbij aangevallen en zo hard in haar vleugels gebeten dat ze niet meer kan vliegen. Ze moet in de tuin blijven op de bloemen. Ze kan niet meer terug naar het bos. Dat is treurig. Ja, voor Bijtgraag moet je oppassen.

Het mooie wolbijvrouwtje heeft meer geluk. Voor haar is Bijtgraag heel aardig. Ze mag alles nemen wat ze maar wil. Tevreden vliegt ze verder naar de prikneus. De prikneus is een plant met fijne haartjes op zijn stengels. Die haartjes knipt het wolbijvrouwtje af met haar scherpe kaken. Ze maakt er een bolletje van, plantenwol noemen we dat. Ze neemt het bolletje mee naar haar nest. Haar nest heeft ze gemaakt in een oude bloempot. Ze kruipt door het gaatje naar binnen en denkt: mijn kleintjes boffen met zo'n heerlijk zacht wiegje.