Tronk de tronkenbij
door de Bikse bie
Net als de boomhommelkoningin woonde Tronka de tronkenbij vroeger in het bos. Kevers zorgden daar voor een nestplaats. Ze maakten gangen in de oude tronk van een boom en woonden daar. Toen de kevers het huis niet meer nodig hadden, vond Tronka de lege gang heel geschikt voor haar kinderen. Hij was precies tien centimeter diep.
Nu woont ze in de stad, net als Bomba. Tronka heeft een mooi huis gevonden in het bijenhotel (ik zal jullie straks meer vertellen over het bijenhotel). Het lijkt een beetje op haar vroegere huis in het bos. Het is een houtblok met gaatjes erin. Maar deze keer zijn de gaatjes niet gemaakt door de kevers. De man die in het grote huis woont heeft ze erin geboord\. Voor Tronka en andere wilde bijen.
Ik stel mij even voor: ik ben Tronka, een kleine, glanzend zwarte bij. Ik heb witte strepen op mijn achterlijf en veel kleine putjes op mijn lichaam. Op mijn buik heb ik donkergele verzamelhaartjes voor het verzamelen van stuifmeel. Mannetjes hebben geen buikharen, ze hebben die niet nodig. Zij hoeven niet voor onze kinderen - de larfjes - te zorgen. Dit jaar heb ik veel geluk met mijn mooie houten huis in het bijenhotel. Het is nieuw, het vorige moest ik eerst schoonmaken.
Ik heb gezien hoe de man en de jongen het bijenhotel gebouwd hebben. Op een zonnige plek maakten ze van planken een hoog, smal huisje. Het leek wel een boekenkast. Pas toen ze er dakpannen opgelegd hadden, is het een echt huisje geworden. Wij bijen noemen het een hotel, een bijenhotel. Het is immers voor ons allemaal. In het huisje moesten dus geen boeken, maar wat dan wel? De man heeft flinke houtblokken gepakt, en er gaatjes in geboord, grote en kleine. De jongen kan hierbij niet helpen, dat is te gevaarlijk. Hij mag ze wel in het hotel leggen. Sommige bijen zijn kieskeurig en hebben liever houten schijven met gaatjes. Prima, die gaan er ook in.
Dan is het de beurt aan de jongen. Hij heeft een soepblik opgevuld met stengels van bamboe, riet en ook takjes van de vlinderstruik. Die heeft hij voorzichtig hol gemaakt met een vijltje. Alle rietstengels heeft hij mooi glad gemaakt. De bijen mogen hun tere vleugeltjes niet beschadigen. En dat is bijzonder: een paar lege slakkenhuizen voor de gouden slakkenhuisbij horen ook in het bijenhotel. Tenslotte nog een grote gladde steen. Hierop kunnen de bijen gaan zitten om zich te warmen in de zon.
Wat een gezellig bijenhotel is het geworden!
Nu staan de mensen van het huis, naar míj, Tronka, te kijken en ze lachen. Ze vinden mij grappig als ik bezig ben met het verzamelen van stuifmeel. Ik doe dit op een heel bijzondere manier. Ik voer een soort dans op. Ik beweeg snel over de bloemen en schud in een flink tempo met mijn achterlijf. Ik klop het stuifmeel los, zodat het blijft plakken aan mijn buikharen. Ik heb veel belangstelling.
Meestal leg ik acht eitjes. Gevaarlijk is de tijd dat de broedkamer nog open is. Hier vlakbij leeft een bij die veel op mij lijkt. Ze is lui en wil profiteren van mijn harde werken. Als ik even weg ben wipt ze snel naar binnen en legt een eitje naast het mijne. Haar larfje zal mijn eitje doden - ket is een koekoeksbij. Ze lijkt op de koekoek, de ondeugende vogel, die haar eieren door andere vogels laat verzorgen.
Snel ga ik naar de knoppen van de bomen om hars te halen waarmee ik mijn broedkamertjes afsluit. Nog een paar steentjes erbij voor de uitgang. Zo!! dat is dat! Hier kom je niet doorheen: koekoeksbij!
