Bomba, de boomhommelkoningin
door de Bikse bie
Ik weet nog goed dat ik haar de eerste keer zag: Bomba, de boomhommelkoningin. Het was in het kleine bos van Fica. Ze zat in een gele krokus en bewoog bijna niet. Ik dacht dat ze doodging. Maar, dat was dom. Ze was net wakker geworden uit haar winterslaap en zat zich nu op te warmen in de zon. Bomba was heel mooi met oranje haartjes op haar borststuk, een echte koningin. De hele winter had zij heerlijk geslapen in een vermolmde boomstam. Nu heeft ze genoeg gerust en is lekker warm geworden. Ze moet aan het werk. In het bos staat de wilg in volle bloei. De wilgenkatjes geven nectar en stuifmeel. Bomba vliegt er heen. Eerst drinkt ze een slokje zoete nectar. Heerlijk smaakt dat na zo'n lange winter. Het geeft haar nieuwe energie. Dan vult ze de korfjes aan haar poten met stuifmeel en weg is ze.
Bomba is een boomhommel en ze gaat op zoek naar een plekje voor haar nest. Daar ziet ze een oude boom met een gat in zijn stam, een holte. Ze gaat naar binnen.... Na een poosje komt ze naar buiten. De holte is niet naar haar zin. Zo gaat het nog een paar keer. Dan is ze opeens verdwenen.... Waar is Bomba gebleven? Bomba heeft gevonden waar ze naar op zoek was: een mooie boomholte met als extraatje een verlaten vogelnest. Dit is een buitenkansje. De vogels hebben nog wat spulletjes achtergelaten, zoals takjes en veertjes. Bomba kan ze prima gebruiken. Ze is dik tevreden.
Lange tijd was Bomba gelukkig in het kleine bos. Nu is ze in de stad gaan wonen. Daar zijn veel mooie bloemen, maar is het leven heel anders.
Laat Bomba het zelf maar vertellen....
“Ik woon nu dicht bij de mensen. Ik woon niet meer in een boomholte. Nee, ik woon heel sjiek in een verlaten nestkastje voor vogels. Ik ben er dolblij mee. De mensen hebben het vogelhuisje niet schoongemaakt en er liggen nog wat donzige veertjes in. Heerlijk zacht voor mijn nestje, straks.
Dan krijg ik onverwacht bezoek.... Er komt een vreemde bij naast mij zitten. Ze is kleiner dan een hommel, maar wel heel mooi. Ze heeft een rossig achterlijf en een zwart kontje. Op haar gezicht staan twee kleine hoorntjes. Ze stelt zich voor: ‘Ik ben Mia de rosse metselbij. En ik woon in het bijenhotel. Dat is hier vlakbij“. Ik heet Bomba, zeg ik, en ben een boomhommelkoningin. Zojuist heb ik een huis gevonden voor mijzelf en mijn kinderen. Het is een paleisje, echt waar. Ik moet nu aan het werk. Tot ziens Mia.
In het vogelhuisje maak ik eerst een kamertje voor mijzelf. Het kamertje is nog leeg. Dat is niet fijn, want ik zal er weken moeten blijven. Wat ik nodig heb is iets om nectar in te doen. Heel slim boetseer ik een potje van was die uit mijn eigen lichaam komt. Dan ga ik naar buiten en haal zoete nectar voor in het potje. Tegelijk neem ik stuifmeelkorrels mee in de korfjes aan mijn poten. Eenmaal terug in het vogelhuisje, stamp ik de stuifmeelkorrels stevig tegen elkaar. Een beetje nectar erdoor, dat plakt goed. Nu is het een klompje geworden. Hierop ga ik mijn eitjes ga leggen. Het zijn er een stuk of tien.
Dan begint de lange zit. Ik moet de eitjes uitbroeden. Een paar weken houd ik ze lekker warm. Af en toe neem ik een slokje nectar uit het potje. Dan worden de eerste hommeltjes geboren. Ze zijn zilvergrijs en hun vleugeltjes zijn nog zacht. Het zijn mijn dochters, ik ben heel trots. Straks zullen zij mij helpen om een hommelvolk op te bouwen. Ik ben niet meer alleen.”
Het is zomer geworden. De jonge hommels vliegen uit. Het zijn er veel: een paar honderd. Het oude vogelnestkastje staat in de tuin van de mensen. In de tuin spelen kinderen. Ze vervelen zich een beetje. Ze zien de hommels: leuke diertjes - eigenlijk, net kleine beertjes. Ze bedenken een ondeugend plan.... Zullen wij ze eens een beetje gaan plagen? Ze zoeken een paar lange, dunne stokjes. Voorzichtig lopen ze naar het hommelhuis en prikken in het gaatje van het nestkastje. Nog een keer en nog eens. Woedend komen de hommels naar buiten.... Alarm! Gevaar! Ze zullen de vijand verjagen.
Angstig rennen de kinderen weg.
De volgende dag komt een man in een wit pak. Het is de imker die de honingbijen verzorgt. De mensen hebben hem gevraagd of hij die gevaarlijke hommels wil doden met gif. De imker wil dat niet. Hij zegt: “De hommels zijn vriendelijke diertjes die niemand kwaad doen.”
Hij praat met de mensen en zegt dat het de schuld is van de kinderen dat de hommels boos werden. Ze hebben hen geplaagd en de hommels werden bang. Zullen ze mogen blijven...?
Voortaan laten de kinderen de hommels met rust. Ze zijn zelfs erg aardig voor de hommels en hebben een schoteltje met suikerwater neergezet voor een arme hommel die uitgeput in het gras was gevallen. Nadat ze ervan had gedronken, kreeg ze nieuwe energie en vloog weg.
Het volgende verhaal gaat over Tronka, de tronkenbij.
