door de Bikse bie

Als ik zeg dat ik Vosje heet en aan de rand van het bos woon, dan denk je waarschijnlijk niet aan een wilde bij. Toch ben ik dat: een wilde bij. De naam Vosje heb ik te danken aan mijn vacht: roodbruin op mijn borststuk en goudbruin op mijn achterlijf. De kleuren van mijn vacht lijken op die van de echte vos, maar mijn haartjes zijn veel zachter. Mijn vachtje is zo zacht, dat een bekende schrijver mij de 'Fluweel Graafbij' noemde.

Veel van mijn soortgenoten zijn naar de stad verhuisd, maar niet allemaal. Een aantal Vosjes is gebleven. Wij vrouwtjes hebben ons nest gegraven dichtbij het bospad. Er zijn veel nesten, soms wel 1000. We leven dus gezellig in een grote groep. Op het bospad zie je veel gebeuren. Soms zitten er fazanten te zonnebaden of komt er een ree voorbij op weg naar de bosvijver. Voor de grote voeten van de mensen ben ik wel bang... Als ze maar niet op mijn nest trappen.

Hier in het bos halen wij ons voedsel van de planten en bomen die er staan. Wij vliegen op bomen zoals de esdoorn met zijn hangende trosvruchtjes vol nectar en stuifmeel. De sleedoorn aan de bosrand bloeit sneeuwwit. Je ziet ons daar goed. De mensen blijven staan om foto's te maken. Maar het liefst snoepen wij van de bloempjes van de bosbes. Daar zijn we dol op. En als wij van bloem naar bloem vliegen brengen we het stuifmeel over van de ene op de andere bloem. We zorgen voor mooie grote bosbessen aan de struikjes.

Nu komt het grappige: ik ben Vosje de wilde bij en zorg voor mooie bosbessen. Wie komt die bessen graag opeten? Dat is meneer de vos, dat mooie roodbruine dier naar wie ik vernoemd ben. Wij horen dus bij elkaar: Vosje de wilde bij en meneer de vos.

Vosje en de groefbij

Soms ontmoet ik mevrouw Groefbij op de sleedoornstruik. Zij is een glanzend zwarte dame met een groefje op haar achterlijf. Ze vindt dat heel voornaam. Ze woont ook niet aan het zandpad, maar in het dorp. Als ze me ziet groet ze me uit de hoogte. Ze is een wilde bij, maar van een hogere rang. Ze is van stand. Dat komt door de werksters die haar helpen in het nest. Het zijn haar dochters. 'Ik lijk wel op mevrouw Hommel', zegt ze heel verwaand. 'Mevrouw Hommel heeft ook dochters die haar helpen. Natuurlijk ben ik niet zo dik!' Statig vliegt ze weg.

- Mevrouw aardhommel is boos op meneer de vos. Hij wilde haar nest uitgraven om de larfjes op te peuzelen. Mevrouw aardhommel heeft hem in zijn neus gestoken.