Hier in onze gemeente zijn we gezegend met heel veel natuur. Met planten en bomen, maar ook met zoogdieren, reptielen, amfibieën, vissen , vogels, spinnen en insecten en dan kruipen er in de bodem nog tal van andere organismen. Laten we daarom maar eens op zoek gaan naar al wat wij de Beekse fauna noemen. Iedere soort heeft zijn eigen verhaal. Ieder seizoen zijn eigen bijzonderheden. Op pad dus voor een ontdekkingstocht naar alles wat loopt, vliegt, kruipt of zwemt. Laten we maar eens een dier bekijken dat we niet echt geliefd mogen noemen: de slak.
Tekst: Kees van Kemenade
Fotografie: Ans van Dal
Een van de oudste levende wezens op aarde is de slak. Er zijn vele duizenden soorten, zoals de segrijnslak. Segrijn is een leersoort gemaakt van de huid van vissen als de haai of de rog. Zijn huid lijkt er wel wat op. Het is een huisjesslak met een mooie schelp met windingen en ingewikkelde patronen. Als weekdier kan hij zich daar makkelijk in terugtrekken. En dat is wel nodig want deze slakkensoort is gewild voedsel voor heel wat dieren. Sommige vogels, zoals de merel, zijn zelfs in staat om de schelp op een steen te verbrijzelen en zo de inhoud te kunnen opeten. Ook de mens geldt als een vijand, vooral als de segrijnslak opduikt in de tuin. Hij eet met gemak een deel van je planten op. Met duizenden kleine tandjes rasp hij de bladeren fijn om ze te kunnen verteren.
Ze kunnen best oud worden, zo’n vijf jaar, als ze voordien niet gesneefd zijn. De kleine eitjes worden in het voorjaar afgezet en komen op tijd uit voordat de zomer met haar hitte toeslaat. Want ze houden echt niet van zon! Daarom komen deze slakken pas te voorschijn tegen de avond of na een regenbui. In de hete zomer kunnen ze zelfs in een zomerslaap gaan.
Maar nu een paar zaken die de segrijnslak in een beter perspectief plaatsen. Vogels hebben de kalk van deze en andere huisjesslakken nodig voor hun eieren. Te weinig slakken, dan zijn de vogeleieren te broos en sterven de jongen. De echte liefhebbers onder ons kennen de escargot wel, die wordt geserveerd met veel knoflookboter in zijn schelp. Dat is de Gros Gris, oftewel Grote Wijngaardslak en die is heel goed eetbaar. Ook in ons land wordt die gekweekt en er is grote interesse in om alternatieve voedselbronnen te zoeken. De segrijnslak of Petit Gris is ook eetbaar, maar te klein, zo’n vijf centimeter, voor de teelt. De afgezette eitjes worden door de liefhebbers vergeleken met kaviaar en dus ook gegeten. Een slak glijdt voort op een slijmlaag en dat slijm is een grondstof voor de medische en de farmaceutische industrie.
