Hier in onze gemeente zijn we gezegend met heel veel natuur. Met planten en bomen, maar ook met zoogdieren, reptielen, amfibieën, vissen , vogels, spinnen en insecten en dan kruipen er in de bodem nog tal van andere organismen. Laten we daarom maar eens op zoek gaan naar al wat wij de Beekse fauna noemen. Iedere soort heeft zijn eigen verhaal. Ieder seizoen zijn eigen bijzonderheden. Op pad dus voor een ontdekkingstocht naar alles wat loopt, vliegt, kruipt of zwemt. Een zoogdier bijvoorbeeld dat echt snel kan lopen en dat zelfs in onze taal een eigen betekenis heeft gekregen.

door Kees van Kemenade

fotografie door Ans van Dal

x

Wat een prachtige ontmoeting als je een haas treft. Lang zal die ontmoeting niet duren, want hij heeft je al snel geroken met zijn actieve neus, gehoord met zijn lange oren, of gezien. En weg is hij met grote sprongen tot een meter ver en een snelheid van tot wel 75 km/uur. Een dier om respect voor te hebben. Hij is dan misschien wel groot - tot 70 cm - en zwaar - tot zo’n 7 kg - maar hij is een gewild prooidier voor de vos en de wolf. Jongen en zieke hazen ook voor roofvogels, en voor de jager natuurlijk.

Behalve zijn scherpe zintuigen heeft hij ook nog een uitstekende camouflage, waar hij graag op vertrouwt. Ben je te dichtbij, dan gaat hij er echt als een haas vandoor. Slapen doen ze ik een klein kuiltje, een leger, maar echt steeds heel kort, een hazenslaapje dus. Het is een echt dier van het buitengebied, als er maar genoeg houtwallen en bosjes zijn. Schuilplaatsen dus waar hij zich veilig voelt gedurende de dag.

De haas is een planteneter en doet zich ook graag tegoed aan landbouwgewassen en daarom ziet men hem soms als schadelijk.

In Hilvarenbeek is de stand van hazen mooi stabiel. Daarvoor zorgen ze door een flinke intensieve voortplanting, want de meeste jongen worden niet oud. De haast leeft op zijn eentje, maar in de rammeltijd zoeken de rammelaars en de moeren elkaar op om te paren. Komen twee mannetjes, de rammelaars elkaar tegen, dan is het knokken geblazen om wie mag paren. De moeren kunnen wel vier worpen in een jaar hebben met telkens twee tot vijf jongen. Die worden door de moer gezoogd, maar staan als snel op eigen benen.

Nog even naar onze taal. Wanneer zeg je: je weet nooit hoe een koe een haas vangt, dan bedoel je iets onwaarschijnlijks. Tegen een haastig iemand zei mijn vader altijd: “Gij zeit zeker dur un hoas gedekt!”