Dat Hilvarenbeek een mooie gemeente is, waar veel te zien is en veel te beleven, dat weet iedereen wel. Maar hoe mooi? Dat ontdek je eigenlijk het beste als je er op uit gaat. Al wandelen kom je op de mooiste plekken. Ik gebruik daarvoor de wandelkaart met nummers van knooppunten. Die brengt mij vandaag naar het prachtige gebied tussen de kom van Hilvarenbeek en Biest-Houtakker. Startpunt is aan de Hakvoortseweg, bij een knooppuntenpaal met nummer 55. Voor wie zo’n kaart niet bezit, staan onderaan de nummers die je kunt volgen.

door Kees van Kemenade

Toch geweldig dat De Gooren bestaan. Een gebied dat eruit ziet alsof de intensieve landbouw niet bestaat. Met kleine weilanden omringd door houtwallen, singels langs de zandpaden met eiken, berken, elzen en populieren, met kleine bosjes die ze vroeger hakhoutbosjes noemden, poelen en een ven. En dat allemaal vlakbij de voordeur.

Een stukje volgen wij het Spruitenstroompje, dat vanwege het natte seizoen een flinke stroomsnelheid heeft. Nu overstroomt de beek niet zo vaak meer, maar dat was voordat het Waterschap de waterhuishouding op zich nam wel anders. Daarom is de grond hier zo vruchtbaar, pure beekklei. Er lagen hier talloze akkertjes die, terwijl de landbouw het zocht in al maar grotere percelen, behouden zijn gebleven. Een beetje als in de tijd van mijn opa Kees. Aan dat gevoel draagt ook de vegetatie van de weide bij, naast gewoon gras ook talloze kruiden. Een groepje koeien is hier te gast en houdt al grazend het oude landschap in takt. Langs het water van de beek zijn er flinke rietkragen. Ineens schiet er een grote zilverreiger uit tevoorschijn. Met trage vleugelslag wiekt hij omhoog; wat een majestueuze vogel toch.

Langs de beek

We steken de oude brug over het Spuritenstroompje over. Ooit was dit de hoofdweg tussen de Biest en Beek, vaak gezien als een kerkenpad. Gelovigen liepen het, of reden met de kar naar de zondagse hoogmis. Dat was de tijd, begin twintigste eeuw, dat Biest-Houtakker geen eigen kerk had. We blijven de Reusel volgen en speuren naar dierlijk leven in de bosjes en op de velden. Hier zitten reeën, want ik zie de markante pootafdrukken in de kleiige bodem. Patrijzen, die zich ophouden in de dichte houtwallen heb ik ook al vaker gehoord en heel soms gezien. Natuurlijk zitten er wel eksters, Vlaamse gaaien en duiven, en verschillende soorten zangvogeltjes. Een puttertje doet zich te goed aan de zaden van verschillende al lang geleden uitgebloeide planten. We passeren een veld dat vol staat met pitrus. Een boer zou er van gruwen, maar het is wel bijzonder. Hoe meer biodiversiteit aan planten, des te meer insecten die elk een eigen waardplant hebben. Alleen als die plant er groeit, dan kunnen ze voedsel vinden. En ja hoor, daar hoort de brandnetel ook bij. Zonder brandnetel geen atalanta’s, zo’n prachtige vlinder.

Flink verval

Een tweede brug bestaat uit een smalle stalen loopplank met relingen. Beneden ons zien we de stroomsnelheid duidelijk. Het wier beweegt mee met de stroom. Anders dan wij denken, is onze provincie niet vlak, maar net als een schuinstaand tafelblad. Het water gaat richting de Reusel, een stuk verderop, en via de Maas naar zee. En dat met een verval van vele meters. Al dat water zorgt voor veel amfibieën en daarom komen hier zelfs af en toe ooievaars foerageren. Die lusten wel een mals kikkertje. Want ja, zo zit de natuur ook wel weer in elkaar. Eten of gegeten worden. Misschien duikt hier de wolf nog wel eens op, om ook zijn duit in het zakje van de voedselketen te doen. Zo mijmerend over de natuur sla ik het pad weer in naar het beginpunt aan de Hakvoortseweg.

De volgende knooppunten kun je volgen en dan kom je weer terug op het startpunt: 55 – 65 – 61 – 66 – 65 – 55.