door Jan van Helvoirt
In het begin van de achttiende eeuw lagen de dienaren van de gemeente Hilvarenbeek regelmatig met elkaar overhoop en waren zij hun leven lang niet altijd veilig. Maar de aanslag in 1713 was toch wel heel erg bruut. Op de avond van 25 november werden de Beekse dokter Glavimans en zijn dorpsgenoot de chirurgijn mr. Peter van Campenhout naar de woning van Jacobus Buerman geroepen. Hij was de zoon van de Beekse gereformeerde schoolmeester, koster en voorzanger Thomas Buerman.
Dat was een in 1624 geboren ‘Hollander’ en dus geen ‘Bekenaar’! Deze ‘substituut vorster’ (politie) woonde aan de Gemene Plaetse. Nadat de twee onderzoekers zijn lichaam hadden ontbloot, vonden zij na ‘oculaire en nauwkeurige inspectie’ toch geene wonde, quetsure of contusie. Ook van de dader werd niets vernomen. De opvolger van deze vermoorde vorster was Wouter Rombouts. Op de avond van 23 april 1717 was hij present in de herberg van Servaes Tielmans. Binnen zat verder de koster en schoolmeester Gijsbert Woel zoals gewoonlijk een glas bier te drinken. Toen kwam zijn zoon Everardus Olivier Woel (er werd over hem geroddeld dat hij een bastaardzoon zou zijn!) binnen en vroeg zijn vader nog maar eens om mee naar huis te gaan. Die antwoordde: Ick ga mede soo als de pint uijt is. Toen gingen vader en zoon eindelijk naar huis en bij het coor van de kerck viel de vorster Wouter Rombouts met een hout in zijn hand vanachter een pilaar de schoolmeester aan. Hij sloeg hem met de knuppel op zijn hoofd, roepende: Doe hont, ick sal u nu den kop inslaan. Daarna kreeg de koster nog wat stenen toegesmeten door een andere Bekenaar. Zijn zoon kwam direct te hulp en gaf zijn vader een ‘ertstaeck’ om verdere klappen te kunnen opvangen. Daarop liep hij snel naar huis om alvast de deur te openen. De kostersvrouw Agnis Muns kwam ook buiten en zij werd daarop op haar neus geslagen dat het bloet daer uijt liep.
Het was in Beek alom bekend dat deze gereformeerde koster en schoolmeester een behoorlijke alcoholist was. Peter Pellen, hij was bierbrouwer op de hoek van het kerkhof (nu Charlots), had alles gadegeslagen. Hij verklaarde verder: Ick stont met een stok in mijn hand. Indien der messen waeren getrocken geweest, dan soude ick uijtgecomen hebben. Begin oktober 1718 was het weer mis met onze Beekse schoolmeester. Hij had al langere tijd onenigheid met de Beekse predikant Benjamin Tielius. De Bekenaren Mathijs van de Kieboom en Huybert Maes zaten weer samen met de koster een pint te drinken in de herberg van Tielmans. Op de vraag of er ruzie was tussen de predikant en de schoolmeester antwoordde Gijsbert Woel: Het zijn maar haken en ogen. Ick heb den bruy van hem. En hij vervolgde in toorn: Ick heb hem eens een broeck aengenaeijt van hondert daelder. Ick sal der hem nog nogh wel een aennaeijen.
Blijkbaar was de ruzie ’s morgens in de kerk al begonnen. Maar volgens de getuigenis van Francis van Eijnthoven, hij was Commies van de Grote Zwijgende Landtol en woonde in de Groene Jager op de hoek van de Paardenstraat, was het eerder op zondag 28 september ook al mis tussen die twee. Hij had gezien en gehoord, toen de predikant uit de schoolmeesterswoning kwam, dat de meester staande op sijn brughsken voor sijn deure aen de straet (Paardenstraat) de predikant aanviel met veel gebaar en grove scheldwoorden.
Op een zondag om drie uur in de middag van 17 augustus 1719 zat Niclaes Naaijkens, onder de ‘predickdienst’ van Benjanmin Tielius, met veel andere Bekenaren in de goedlopende herberg van Aert van Eijnthoven. En weer zat daar natuurlijk de Beekse koster en schoolmeester Gijsbert Woel. Hij was behoorlijk droncken off beschonken. Zijn huisvrouw wilde hem komen halen maar de schoolmeester had geen zin en riep getergd: Ick en wil niet. Ghij sotshont en donderhoer gaet naer huis! Verder had hij geschreeuwd dat zijn vrouw ‘geen christelijck mensch’ was.
Getuige Wouter Rombouts had gezien dat de schoolmeester rond zes uur al striemelende in sijn huijs ginck. Alsof dat nog niet genoeg was, was de Beekse koster die avond naar het huis van de Beekse president Van Andel gegaan om spottend ‘voor te bidden’. De vrouw van de voorzitter van de schepenbank was overleden. Zij was zoals gewoonlijk opgebaard in het lijkenhuis en de koster gedroeg zich als een potsierlijke dronkaard. Toen zijn vrouw hem eindelijk binnen in hun huis wist te krijgen, stiet hij in de kamer met zijn voet tegen een stoelpoot. Hij viel als een blok voorover tegen de vloer zodat hij sigh eenighsints aen sijn tronie had beseert dat daer van seer bloeijde.
Op 20 februari 1720 ging het weer mis met onze ‘drinkende schoolmeester’. In de herberg van Middegaels had hij een stevige woordenwisseling met Paulus Smulders, de katholieke schoolmeester op het schooltje links net over de brug te Roovert. Mulders werd een bloedneus geslagen en flink in zijn duim gebeten. Eindelijk was de maat vol en op 2 november 1720 moest hij de twee sleutels van de toren in leveren, evenals twee doopboeken en twee begraafregisters. Hij werd geruild tegen de schoolmeester uit Haaren. Maar die Thomas van der Hammen … was geen haar beter!
