door Jan van Helvoirt

Op 11 december 1615 barstte er een hevig onweer los. De Beekse toren werd door de bliksem getroffen en raakte in brand. Gedeelten van de brandende torenspits vielen op het dak van de kerk. Door de felle wind vatte dat ook vlam en in korte tijd brandde de oude kerk helemaal uit. Alleen de beide sacristieën bleven gespaard. Op de avond van 30 mei 1630 waaide Jan Willem Merten Otten pardoes van de brug af toen hij in de buurt van de Kleine Voort was gekomen. Zijn vrouw Cathelijn Goyaerts van Myerde zat al enige tijd thuis in spanning op hem te wachten. Ter gelegenheid van Sacramentsdag had hij deelgenomen aan de ‘Venerabele-Gildemaaltijd’. Op weg naar huis was hij onoselyck versmacht tegen over Peter Hansen weduwe in het Raeck aen de vonder en doer den stercken wint vanden vonder affgewayt. In het late voorjaar waren geweldige slagregens en stormwinden er de oorzaak van dat de Beekse gewassen plat tegen de aerde waeren geslagen. Het graan kon zich niet meer herstellen zodat het schom ende oncruyt daerdoor boven uyt was wassende. Het jaar daarop was misschien nog wel natter en ook de oogst slechter. Het gras was geheel verrot en de beemden en hooilanden stonden onder water. Door de aanhoudende regenval was er zo weinig voedsel dat veel beesten, paarden en schapen, jae geheele stallen ende gehuchten daer van sieck ende uitgestorven sijn. Dat jaar en ook in 1664 was de rogge-oogst totaal mislukt, doordat er een schadelijke honingdauw gevallen was. Het zaaizaad kon niet eens worden terug gewonnen.

Gras verschrompelde

In 1667 was er een enorme droogte opgetreden, waardoor het gras verschrompelde. Men kon niet meer doen dan haere beesten op de dorre heyden jaegen. Zo kon het weinige vee nog enigszins in leven blijven. Daardoor reduceerde de melkproductie natuurlijk tot nul. Zowel de zomer- als wintervruchten waren inde aren bevangen ende genootrijpt geworden. Door een extraordinaire storm ende tempeest werd er in Hilvarenbeek op 1 oktober 1671 heel veel schade toegebracht aan talloze woningen. De schepenen noteerden dat in het dak van de Decanije een groot gat geslagen was. Bovendien waren er wel zestig 'vorstpannen' stuk. Ook moest het torentje van de dekenkamer voorzien worden van nieuwe leien. Op de eerste augustus van 1674 ontstond er ’s avonds rond acht uur bijna in geheel Nederland een gruwelijk onweer met storm, hagel, donder, bliksem en vele slagregens. Daarvoor had de voortrazende storm ook Hilvarenbeek aangedaan. De Heimolen, vroeger 'Doornberchse molen' genoemd, moest compleet het loodje leggen: een cooren wintmoolen inden soomer lestleden door enen extraordinairen storm omgewaeyt. In Esbeek stortte de boerderij van Dielis Claes Bruers (nu: Boerderij Hendriksen) aan het Spaaneind bijna geheel in. De schepenen noteerden onder andere de volgende schade: het gehele achterhuys vant woonhuys bestaen hebbende in twee gebonten geheel omverre ende wegh. Het is heel goed mogelijk dat een van de voorlopers van onze mooie oude lindeboom op het Marktveld als gevolg van die storm is geplant. Het plantjaar 1676 is immers verdraaid kort na die ramp.

Geen bluswater meer

Het voorjaar in 1684 was enorm droog. Tot juni had het geen drop geregend. Doordat alle putten en poelen uitgedroogd waren, was er geen bluswater meer. De inwoners waren daarom verplicht om voor de deur een cuyp ofte tobbe vol waters te setten met noch een leer die bequam en goet is. Vanwege de droogte was het ook verboden toeback te roocken in schuyren, stallen, schoppen en torffvelden. Verder mocht niemand op ten raedthuyse alhier soo boven als beneden eenigen toeback smoocken. Men mocht ook geen asse uitte huysen dragen. Licht mocht men alleen in eene bequame lanteerne hebben. Overtreders werden bestraft met zes stuivers ten behoeve van de armen van Beek. De winter van 1687 was erg streng. De granen hadden zoveel van de harde vorst geleden dat zij bij de publieke verpachting slechts de helft opbrachten. In februari van het jaar daarop vroor het nog dat het kraakte. Nicolaes van de Sande werd letterlijk het slachtoffer van onderkoeling; op 2 februari overleed hij. Op 19 mei veroorzaakte een hevige bliksem grote schade aan het dak van de Beekse toren.

Roken op straat verboden

Het jaar 1690 verliep weer erg droog. De regels die de Beekse regeerders in 1684 hadden opgesteld werden blijkbaar niet goed opgevolgd. Daarom vaardigde men strengere maatregelen uit: zes gulden boete voor het roken in schuren, schoppen en stallen. Zelfs het publiek op straat werd het roken verboden. De ‘hagelslag’ op zaterdagavond 26 augustus 1692 had plaatselijk enorm grote schade toegebracht aan de gewassen. Adriaen Leendert Damen uit het Loo had 75 gulden schade aan zijn zomervruchten. Dat gold ook voor Jan Jan Coolen en Bartholomeus Cornelis gaf 40 gulden op. Alle berichten over hagelschade kwamen uit het Loo. Op 18 augustus 1693 was het weer raak, maar dan in Esbeek. Peter Adriaen Tielemans was pachter van de ‘kleine akker tiende’. Hij verklaarde dat de zomervruchten geheel waren verhageld. Ook veel kleine boertjes, zoals Laureijs Leendert van Loon op het Spaaneind aan de Heistraat in Esbeek, wisten te melden dat de oogst totaal verwoest was. Tussen vijf en zes uur in de middag hadden zware buien een dikke ijskoude hageldeken over Esbeek gelegd. Inmiddels is Esbeek zoetjesaan zelf een groot koud afzichtelijk industriedorp geworden. Maar destijds bestond het idyllisch Beekse gehuchtje nagenoeg nog geheel uit ... kleine autonome warme biologisch dynamische boeren!