door Jan van Helvoirt

In het rijke archief van de Beekse Schepenbank bevinden zich acht erg dikke boeken die een belangrijk deel van het reilen en zeilen van het Beekse, Westelbeerse, Rielse en Diessense dagelijkse gebeuren tussen 17 januari 1680 en 12 december 1810 beschrijven. Ze zijn voorzien van prachtige handschriften en ze liggen nu voor eeuwig veilig en voorgoed opgeborgen in de kelders van het RAT in Tilburg. Voordat ze werden gedigitaliseerd heb ik ze gelukkig allemaal onder ogen gehad en mogen lezen. Ik heb het hier over de Registers van attestaties, verklaringen en ondervragingen. De eerste akte beschreef de grondige restauratie van de huidige brouwerij De Roos in 1680 en de laatste is gedateerd 12 december 1810. Daarin meldde de Beekse chirurgijn Petrus Benedictus Raaymakers dat hij het dood gevonden lichaam van Cornelis van den Broek had gevisiteerd. Deze jongeman werd gevonden in een droge sloot achter de aanstede van Nicolaas Huijbrechts op het Loo. De chirurgijn noteerde dat aan het cadaver geen kwetsuren zijn, dat den overleden door flauwheid gevallen, door de koude indrukking der lugt, de circulatie des bloeds is verhinderd geworden. Met het beschrijven van het dramatische overlijden van deze Bekenaar kwam ook een einde aan het historische bestaan van de Schepenbank: met dank aan de Fransen! De Beekse secretaris Martinus Huijsmans eindigde dan ook plichtsgetrouw en met sierlijke letters: Clos et arrete par moi sous figue maire de cette commune d’Hilvarenbeek de trente un decembre mil huit cent dix en onze heure.

'Huisbraak en diefstal'

In archiefstuk nummer1333 noteerde de Beekse drossaard Jan Tasset op de laatste pagina op 16 april 1800 dat de schepenen Cornelis Naaijkens, Christoffel Bosmans en Jan Vervoort in gezelschap van de secretaris Huijsmans oculaire inspectie in de Kerke van de Roomsche Catholyke Belijders van Godsdienst gedaan hadden. In de voorgaande nacht had ‘huisbraak en diefstal’ plaats gevonden in de Beekse Schuurkerk aan de Koestraat. Onverlaten hadden het lood uit het derde raam naast de sacristie gesneden waarna zij twee ruiten hadden kunnen verwijderen. Via een ladder was men zo naar binnen geklommen. De schepenen zagen dat er ook nog een tuinbank buiten tegen de muur stond en daar vond men ook nog een zeis en een koperen ring.

Binnen in het kerkje stond de stoel van de kerkmeester tegen het beschot en van het kastje onder de zitting hadden de dieven het slot geforceerd. Het bled schietende over de kram was krom gebogen. De rovers hadden ook tevergeefs geprobeerd de deur van de sacristie achter het altaar open te breken met wellicht een beitel of de zeis die buiten lag. Alles werd onaangeroerd aangetroffen in de sacristie. Volgens de kerkmeester Jan Ketelaars en de koster Nicolaas van den Dungen hadden de boeven de verkeerde sleutels gebruikt, namelijk die van de kaarsenbakken. Volgens getuigen moesten er in de twee schalen die gebruikt werden voor de offerande vier gulden liggen. En die waren weg. Blijkbaar had men ook licht willen maken, want achter het altaar vond men vonk of tintel om vuur te slaan en ligt aan te steken. Bovendien was een wassen kaars gebroken en aan de bovenkant wat afgesneden. Verder hadden de dieven een fles water leeggedronken en een halve fles witte miswijn genuttigd. De koster miste tot slot zijn nagelnieuwe schoenen.

Chrirurgijn opgetrommeld

Op de zestiende juni 1807 konden de Beekse regeerders zich weer in allerijl naar de Koestraat begeven. Nu werd de ‘Oude Schuurkerk’ als locatie opgegeven. Ze werden vergezeld door de opgetrommelde chirurgijn Petrus Benedictus Raaymakers, de Gepatenteerde Dorpschirurgijn alhier. Er vielen twee doden te betreuren. Zowel de meester timmerman Anthony Vingerhoets als zijn knecht Cornelis Anthony Hagen waren bij het slopen van de Schuurkerk dodelijk verongelukt. Beiden waren bedolven onder de omgevallen westmuur. Vingerhoets had in 1798 nog vakkundig het hout van de Kerktoren en de Waag gerepareerd. En in 1802 legde hij nog een nieuwe brug op de Bukkum. Nu had hij onder andere een zwaare wonde aan de tempera met plettering en fracture van het cranium. De knecht had hoegenaamd geen uiterlijke kwetsuren. Hagen was overleden door het gewicht van de muur en hij werd gesmoort door het beneemen van de lugt.

In hetzelfde jaar werden de sloopmaterialen in twee partijen verkocht. Deze tweede Schuurkerk werd in 1722 gebouwd op de ‘Van den Nieuwenhuijsen Dries’ gelegen achter de huidige Pastorie. Het kerkje lag aan de oostzijde van de Kerkendreef tussen de Koestraat en de Spulsestraat (nu Papenstraat). Het voetpad was een mooie breede laan met hoog opgegroeide beukenheggen. Maar het gezegde luidt toch ook: wie het breed heeft … laat het breed hangen!