Op de binnenplaats van het gemeentehuis van Hilvarenbeek staat een mooi beeld, gemaakt door J.B.A. Claesen, getiteld ‘Mee den krommen errem’. Het stelt voor een Brabantse boerin die een mand met versterkende middelen naar een kraamvrouw draagt.
door Hans Schoenmaker
Museum De Dorpsdokter breidt zijn collectie uit rond het aansprekende thema ‘geboorte en dood’. Voor de geboorte stond een zilveren ooievaar met een baby in de buik op de schouw, die aankondigde dat de vrouw in verwachting was. In de 17e en 18e eeuw gebeurde dat tijdens een feestelijke bijeenkomst met familie en vrienden. De aanstaande vader schonk wijn, vermengd met kaneel en suiker in een bijzonder glas, de ‘Hansjesbeker’. Terwijl het rondging, zong men: “Men drinkt, als ´t komt te pas, kaneelwijn frisch en helder. Geluk aan de Echtgenoot, met Hansje in de kelder.” Tijdens het drinken kwam Hansje uit de stam van het glas omhoog en was het duidelijk dat een baby op komst was.
Een 18e-eeuws glas met het opschrift ‘Hansje in de kelder’ is te bewonderen in de nieuwe opstelling van het museum. Enkele zeldzame geboorteglazen uit die tijd hebben het opschrift ‘welzijn van de kraamvrouw en het kintie’. Na de geboorte bood de vroedvrouw het kind aan de vader aan. Door het kind aan te nemen bevestigde de vader zijn vaderschap, waarna het feest kon losbarsten. De kandeel, later kraamanijs, vloeide rijkelijk.
Een aantal voorwerpen maakte de geboorte tot een gedenkwaardige dag. Op een houten doosje stonden naam en geboortedatum. In het doosje werd de navelstreng bewaard, dat zou geluk brengen. Een zilveren geboortelepel uit 1789 was behalve een geschenk ook een appeltje voor de dorst. Indien nodig kon je hem omsmelten en er munten van laten maken. De rammelaar in de vorm van een granaatappel diende om boze geesten op afstand te houden.
Na de geboorte werd het kind in een grote linnen doek gepakt, dat zijn hoofd en het hele lichaam bedekte, en daarna met wikkelbanden, een soort zwachtels, omwonden. Dat werd gedaan voor een kaarsrechte houding en stevige schouders en tegen kromme benen en een navelbreuk. Ook moest dit het kind beschermen tegen stoten en andere kwetsuren.
Te zien is een unieke baarstoel uit ca. 1890, couveuses, enkele 19e-eeuwse wiegen en een luierkastje met luiermand. Bijzonder zijn de doopjurken en babykleertjes uit de periode 1850-1900. Als de vroedvrouw een bevalling moest doen, legde ze o.a. een doopspuit klaar. Veel vrouwen hadden, door een gebrek aan vitamine D, een vernauwd bekken als gevolg van de Engelse ziekte. Dreigde het kind te sterven, dan kon de vroedvrouw het in ieder geval nog dopen, zodat het niet in ongewijde aarde, achter de heg, begraven hoefde te worden. Het museum laat een doopkleed zien van een ziekenhuis, dat gebruikt werd als het kind - net voor de dood kwam - op het nippertje kon worden gedoopt.
