Als er iemand eind 19e eeuw in Esbeek post verwachtte, maar zeker zo vaak ook verstuurde, was het pastoor Jurgens wel. Talloze brieven schreef hij naar hooggeplaatste personen in Den Haag, maar vooral in Den Bosch. En niet alleen naar de bisschop maar ook regelmatig naar Provinciale Staten. Vaak kon hij zijn invloed doen gelden bij bekende bestuurders. Ook toen al had het ‘grootkapitaal’ heel veel in de melk te brokkelen. En dat deze ‘boter-pastoor’ een rijke achtergrond had moge blijken uit zijn vermogende margarine-familie uit Oss.
door Jan van Helvoirt
Toen hij eenmaal in 1888 in Esbeek was gearriveerd en gesetteld zag hij meteen dat het postwezen hier zeer slecht geregeld was. Slechts een keer per dag kwam de postbeambte te voet vanuit Beek de brieven afgeven. Daarna mocht hij meteen weer vertrekken. Jurgens zat ook hier wel dicht bij het vuur, want de Esbeekse brievenbus hing tegen de wand van het oude schoolhuis uit 1844. De pastoor mocht aanvankelijk ook van schoolmeester De Bruin in zijn schoolhuis wonen. Hij huurde van hem twee voorkamers, de kelder en de opkamer. Eigenlijk mocht hij er gratis wonen, maar hij betaalde meteen 100 gulden totdat zijn pastorie opgeleverd zou worden. En dat met de stichtelijke woorden: beneficium accipere est liberatum vendere. In Esbeek waren er weinigen die dat snapten: ‘een gift aannemen is zijn vrijheid verkopen’! De Beekse postbesteller Bekkers was zeker niet zijn beste vriend. De rabiate pastoor kon het al niet verkroppen dat hij ‘in de Oost’ was geweest. Daar had hij zijn vrouw achtergelaten en nu zat hij met een jonge deerne samen te wonen. In de zomer van 1889 liep het echt uit de hand.
Bekkers zat in de plaatselijke herberg met een stapel brieven zogenaamd te kaarten. In een van die brieven, gericht aan de Esbeekse bouwpastoor, zat het enorme bedrag van 10.000 gulden. En dat was uiteraard bestemd voor de bouw van de kerk. Jurgens vroeg de postbode om die waardevolle brief hem meteen te overhandigen. Maar Bekkers weigerde en hij stopte de envelop met inhoud in zijn tas met de woorden: “Haal hem er nu maar uit”. Behoorlijk beschonken verliet hij de herberg en wierp de brief nonchalant in de sloot. Een eerlijke vindster bezorgde die gelukkig weer veilig bij de pastoor. Jurgens kreeg het van de inspecteur Nagel gedaan dat de brutale postbode werd ontslagen. Blankers uit Beek zou hem opvolgen.
In 1890 stelde Jurgens alles in het werk om een ‘postwagen’ te krijgen op het traject Reusel-Esbeek-Hilvarenbeek-Tilburg. Doch hij kreeg nul op het rekest. Ook de tweede poging in 1894 liep op niets uit. De inspecteur reageerde: ’t getal van brieven is zoo gering dat de te maken groote kosten in de verste verte niet waardig is. Jurgens vertrok in 1902 naar Beek en de eerste tram verscheen in 1907 in Esbeek. Die kon nu alle postzakken meenemen. Alles werd netjes verpakt in zakken hetzij in stevig papier ingepakt met touw omwonden en met het cachet van het kantoor verzegeld met duidelijk opschrift van het kantoor der bestemming en voorts van een afdruk met dagstempel van het kantoor van afzending. In de bagagewagen van de tram zat een ruimte voor de berging van de post. Er was een zitplaats voor de ambtenaar gemaakt en de ruimte was verlicht en verwarmd.
Op 23 juli 1918 werd A. Hoes, reeds enige jaren werkzaam in Dongen, benoemd tot brievengaarder te Esbeek. Twee maanden later werd hij hoofd van het hulppostkantoor in Beek. Op 27 januari 1919 besloot de Beekse gemeenteraad om een stukje grond in Esbeek publiek te verkopen. Het behoorde tot het oude historische Groot Esbeek en er zou een hulppostkantoor gebouwd worden. De Esbeekse aannemer Albert Rosch wilde twee woningen bouwen en in het oostelijke moest een postkantoortje komen. Doch hij kreeg toestemming om er drie te bouwen, zodat nu het middelste werd ingericht als hulppostkantoor.
Voor zichzelf bouwde hij een woning met ‘winkel en timmerwinkel’. De brievengaarder Hoes had daarvoor al zijn oude kantoortje in Esbeek, de eigenaren hadden de huur opgezegd, moeten verlaten. In de tussentijd werd de brievenbus bij het schoolhuis verplaatst naar het Patronaat naast de Pastorie. Pastoor Priems had hiertoe toestemming gegeven. Op 8 april 1921 verscheen een opmerkelijk berichtje over Esbeek in ‘Ons Huisgezin’: Ons Hulppostkantoor zal worden verplaatst naar de Beeksche Weg even buiten de Kom.
Landgoed De Utrecht was zich gaan bemoeien met het Esbeekse postwezen. In de persoon van Adrianus van Rijswijk kreeg Esbeek een nieuwe ‘brievengaarder’ en pal ten noorden van de Mostaard aan de toenmalige Dorpsstraat bouwde hij ten noordwesten van zijn boerderij op zijn eigen grond in juni 1921 een woning (35) en een postkantoor (37). Blijkbaar een erg ‘duistere hoek’ want al op 26 oktober 1921 vroeg de directeur van het Goirlese Postkantoor om voldoende licht bij het Esbeekse kantoor. En in november 1923 deed Esbekenaar Hubertus van Dommelen het verzoek aan de raad om daadwerkelijk een ‘lichtpunt’ te plaatsen bij het plaatselijke hulppostkantoor.
En sindsdien, de lichtmast uit 1923 is wel mooi gerestaureerd, zijn de bewoners toch zelf … het licht in de duisternis!
