door de Bikse bie
Pluimvoet de pluimvoetbij
Ik ben Pluimvoet en zo zie ik er uit: ik heb een zwarte kop, een borststuk met bruine haartjes en een zwart achterlijf met witte bandjes - net een gestreept rokje. Aan mijn poten heb ik prachtig geel-rosse pluimvoeten. Ik ben heel trots op die mooie pluimen. Ik heb er ook mijn naam aan te danken: ’Pluimvoet’! Soms gebruik ik mijn pluimvoeten als vegertjes. Hoe dat zit, vertel ik later.
Ik ben een wilde bij en moet zelf een nest maken. Ik doe dat niet in het bijenhotel, maar in de grond. Dat doen meer wilde bijen. Nu heb ik een mooie plek ontdekt in de voortuin van de mensen. Ze hebben tegels gelegd in verschillende vormen en kleuren. Het is een kunstwerk geworden: een mozaïek noem je zoiets. Tussen de tegels begin ik te graven. Eerst maak ik met mijn kaken het zand wat losser. Daarna graaf ik met mijn voorpoten een lange gang. Ik kan niet omkeren, de gang is te smal, en moet achteruit teruglopen naar de uitgang. Terwijl ik achteruit loop, duw ik het zand met mijn achterpoten naar buiten. Om het te verspreiden maak ik met mijn pluimvoeten krachtige roei-bewegingen. Zo veeg ik het zand weg en gebruik ik mijn pluimen als vegertjes. Het is een plezierig werkje. De gang wordt wel een halve meter diep. Aan het eind maak ik een zijgang. Dat wordt de kinderkamer. Als mijn nest klaar is, steekt het als een klein zandheuveltje boven de tegels uit. Bovenin laat ik een opening waardoor ik in-en uit kan vliegen. Het is net een kleine vulkaan.
Voorlopig woon ik alleen in mijn nest. De mannetjesbij die bij mij hoort, slaapt buiten in de bloemen, samen met de andere mannetjes. Als straks de kinderkamer klaar is, wordt het drukker. Ik ga daar mijn eitjes leggen. Ieder eitje krijgt een soort wiegje dat broedcel heet. Na een poosje wordt het eitje een larfje. Dat is een soort rupsje. Het larfje moet veel eten om later een bij te kunnen worden. Daarom maak ik voor elk larfje een stuifmeelbal op pootjes. Zo blijft de bal lekker droog. Tenslotte sluit ik de broedcel keurig af met een laagje zand. Het larfje blijft de hele winter in zijn wiegje.
Ik leg wel zeven eitjes en moet hard werken. Zeven keer moet ik uitvliegen om stuifmeel te halen voor de bal op pootjes. Ik houd van gele bloemen, vooral van de mooie lintbloemen, zoals de leeuwentand. Het liefst ga ik ’s morgens op pad. Ik snoep wat van de heerlijk zoete nectar en neem de stuifmeelkorrels mee voor mijn kinderen.
En dan gebeurt het! Op een keer vlieg ik terug naar mijn nest en zie een schim vlak achter mij. Ik hoor een eng geluid: Shirr...shirr.... Dán zie ik ook de enge bruine ogen en het dambordlijf met de lichte en donkere vlekken. Ik word gevolgd door mijn ergste vijand: de gevaarlijke dambordvlieg. De vlieg is gevaarlijk voor mijn kinderen die slapen in hun broedcel. Haar kinderen zullen de stuifmeelballen opeten en de mijne zullen sterven van de honger. Nee, de vlieg mag niet naar binnen.
Het akelige insect blijft mij volgen, zo dichtbij dat het lijkt alsof hij aan mij vastzit. Ik probeer de vlieg kwijt te raken, van mij af te schudden. Ik ga zigzaggen: eerst maak ik een scherpe bocht naar links en dan naar rechts. Ik raak de vlieg niet kwijt. Plotseling, totaal onverwachts vlakbij mijn nest maak ik een snelle glijvlucht en duik door de opening naar binnen. De kleine vulkaan heeft mij opgeslokt.
Veilig binnen in mijn nest sta ik nog lange tijd te trillen op mijn poten. Nu alle eitjes veilig opgesloten zijn in hun kamertje, kan ik gaan rusten. De eitjes zullen larfjes worden en zich inspinnen voor de winter. Lekker warm en droog. In de zomer komen ze als kant-en-klare pluimvoetbijen naar buiten.
