door Jan van Helvoirt
De koster en geestelijke klerk Goeswinus de Pomerio (het leengoed de Pomerio of ‘ten Boghaerde’ vormde het middeleeuwse centrum van Esbeek) woonde in 1340 in de latere Clossenborch (clos=ommuurd, omwaterd). Dat statige pand werd eerder het Gruithuys genoemd, gelegen tussen de Koestraat en de Zuiderbeek. Hier konden de brouwers bij de ‘gruiter’ de gruit of gagel halen. De Beekse schepen Engbrecht Henrics Shanen bezat in 1380 het ‘Gruithuys’ aan de Koestraat. Het water uit de grachten van deze ‘omwaterde huizing’ kwam uit het genoemde stroompje de Zuiderbeek. Mr. Henrick van der Koeyen, kanunnik in Hilvarenbeek, resideerde in 1450 op dit ‘landgoed’. Jacob Zeberts bezat in 1494 de Clossenborch en hij woonde zelf in Luik als raadsman van de bisschop. Mr. Lambrecht van der Voort was in 1523 notaris en bewoner van dit voorname huis. De Heer Schilders bezat in 1551 de ‘Clossenborch in de Coestraet’. Damiaan van Nerven hertrouwde de jonkvrouwe Marie van Huikesloot, weduwe van Jan Servaes Schilders en schout van Hilvarenbeek, in 1556 op de Clossenborch. Jan Willem Lambrechts kocht in 1580 de Clossenborch en moest onderhouden de Beeck oft Waterlate hierdoor lopende. Het gehele grondgebied van dit ‘versterkte huis’ lag dus ook tussen de Koestraat en de Spulsestraat, de latere Papenstraat. Mr. Jan Willem Lemmens kocht op 26 januari 1580 voor de som van 2200 carolusgulden het voorname huis van de kunstenaar Damiaan van Nerven, de stiefvader van de kinderen Schilders. Die stamde uit een bekende Goirlese chirurgijns familie. Deze vermogende Jan Lemmens was schepen in Hilvarenbeek en hij was getrouwd met Maria Bartholomeus van Tuldel. Daarom noemde hij en zijn nakomelingen zich voortaan ‘alias van Tuldel’. Het complex werd omschreven als een huysinge rontsomme waetert met alle den anderen huysinge met grachten, hoevinge, plantagie, boomgaert ende gronden.
Zijn zoon Bartholomeus Jan Willem Lemmens alias van Tuldel volgde hem in 1616 op als bewoner en eigenaar van het omvangrijke pand tussen de Koestraat en de Spulsestraat. Hij was ook eigenaar van de Roovertse Watermolen die twee keer afbrandde. Het gezin Lemmens van Tulder geraakte in financiële moeilijkheden waardoor hij het deftige huis aan de Koestraat moest verkopen. Nog dramatischer was het feit hij seer miserabel is dood gebleven bij het omhakken van een boom ten behoeve van de op timmering van de watermolen. De schoolmeester en notaris Gijsbrecht Michiels van den Nieuwenhuysen kocht in 1620 het omwaterde bouwwerk van Bartholomeus Jans Willemen van Tuldel. Diens zoon Michiel van den Nieuwenhuysen was herbergier en winkelier in 1657 in de Beekse Clossenborch. In 1662 werd in de schuur van de nog steeds omwaterde huizing Clossenborch in de Koestraat een ‘schuurkerk’ ingericht en de ‘grenskerk’ in Poppel werd verlaten. Pieter Jasper Bosmans was in 1693 herbergier op het beschreven pand. Martinus Lemnius erfde in 1697 het fraaie huis rontsomme in het water zuid de Beek.
In 1708 hadden de herbergen ’den Bosch’ (de latere Roos) en de Clossenborch de grootste bieromzet in Beek. De weduwe Anneke van den Nieuwenhuijsen hield met haar zoon Peter Bosmans in 1728 herberg in de Clossenborch. Rond 1800 was de belending van het vermoedelijk in verval geraakte landhuis: noord de Koestraat en west een ‘Gemeyn Weegsken’. Dat pad tussen de Koestraat en de Spulsestraat werd ook Kerkendreef genoemd. Deze naam kreeg het doordat aan dit zandpad in 1722 de ‘nieuwe Beekse schuurkerk’ werd gebouwd. Het perceel over de Beek gelegen waarop de schuurkerk stond heette later ook de Kerkendries. Op de hoek van de Koestraat en deze Kerkendreef, een brede laan met hoog opgegroeide beukenheggen, stond naast de Clossenborch vermoedelijk ook het befaamde Beekse Kanunnikenhuis. De Schuurkerk werd in 1801 geruimd en de Kerkendreef in 1879. In 1964 werd het Sint Adrianusgesticht aan de Koestraat, gebouwd in 1902, geheel gesloopt om plaats te maken voor een nieuw bejaardentehuis. Dit bejaardenhuis de ‘Clossenborch’ kreeg op 27 juni 1966 haar toepasselijke naam en werd op 3 januari 1967 door de Bossche Mgr. J. Bluijssen plechtig ingezegend. Wie gedoemd was vanaf zijn pensioen daar te moeten verblijven was… echt de klos!
