door Jan van Helvoirt

Hilvarenbeek had in 1815 een ‘gijzelkamer’ in het gemeentehuis aan de noordzijde van de kerk en een gevangenis op de toren voor drie personen. In 1822 was het leien dak versleten van het gevangenhuis boven de waag. Dat was aan de zuidzijde van de toren gebouwd met daaraan vast het brandspuithuisje. In 1838 bezichtigden de schepenen een ’gebouwken’ steunende tegen de voorgevel aan de westzijde van de St. Petruskerk waardoor men uit de kerk in dit gebouwtje zal hebben gegaan, bestaande in twee vertrekken; het ene de waag en het andere voor de berging van oude ’Dingrollen, Processtukken enz.’ en boven die vertrekjes is een van steen gemetselde verwerfsel tot zoldering waarboven het gevangenhuis was. De winkelier Hendrik Geert van Gestel werd in september 1851 benoemd tot ’cipier’ van de gevangenis. In oktober 1860 was het woonhuis aan de Markt D-805, geheten de Kroon, ingericht als Raadhuis, Marechaussee Kazerne, Wachtkamer en Huis van Bewaring of Gevangenis. Ieder jaar opnieuw werd door het Beekse dorpsbestuur het onderhoud van de gevangenen in het ‘Huis van Bewaring’ publiek aanbesteed. Er werd in 1863 een reglement van zeventien artikelen opgesteld die door de ‘Commissaris des Konings’ moest worden goedgekeurd. Het eerste artikel beschreef nauwkeurig welk voedsel de gevangene per dag voorgeschoteld diende te worden.

’s Morgens vier ons goed gebakken roggebrood van zuiver meel van de beste zware rogge. Daarbij kreeg de gevangene drie ‘maatjes’ warm drinken bestaande uit een deel zoetemelk en vier delen gekookt water. Om twaalf uur moest er een voedzame middagspijs worden voorgezet. Voor het avondeten kon de gedetineerde rekenen op tweeëneenhalf ons roggebrood met dezelfde drank als ’s morgens. Daarnaast kreeg hij of zij het aftreksel van vijf wegtjes koffij en de nodige cichorei. De genoemde voedingsartikelen moesten altijd van goede kwaliteit zijn en het ‘College van Toezicht’ zou dit steeds controleren. Bij ziekte van de gevangene diende de aannemer zich te houden aan de voorschriften van de geneeskundige, die ook de medicijnen zou voorschrijven. De verzorger verstrekte altijd een blekke of aarde drinkbakje met een lepel. Elke gevangene kreeg voldoende legstro van droog tarwe- of roggestro. De ‘Commissie van Toezicht’ bepaalde wanneer de stroozakken en peluwen dienden vervangen en gereinigd te worden. Artikel acht bepaalde dat de aannemer moest zorgen voor zeep en hij moest ze ook scheren. Hij diende ook met zijn eigen spullen de gevangenis met de paar meubelen schoon te houden. In artikel tien kon iedereen lezen dat, wanneer de aannemer niet alle voorwaarden netjes zou opvolgen, de genoemde commissies onmiddellijk maatregelen zou nemen. Daarom moest hij zorgen voor twee genoegzaam, gegoede borgen.

In dit geval in het jaar 1863 was dat de Bekenaar Jacobus Spruyt, hij was klompenmaker van beroep en de zoon van Peter Spruyt uit de Gelderstraat. Ook de koperslager Pieter Vlaminks was borg. Het ‘College van Toezicht’ bestond in dat jaar trouwens uit de heren P. Damen, P. Kuypers en J. Naaijkens. De uitbetaling zou binnen twee maanden geschieden na het indienen van de declaraties. Wanneer de gevangenen kinderen of ‘politie gevangenen’ betroffen, dan diende de aannemer steeds afzonderlijke rekeningen te maken. Indien er toch onenigheid zou ontstaan met betrekking tot de gestelde bepalingen, dan zou de ‘Heer Commissaris des Konings’ een besluit nemen. Nadat men onder de lindeboom op de Markt alle voorwaarden had voorgelezen, ging het dorpsbestuur over tot de aanbesteding. Voor veertig cent per verpleegdag had Johannes de Kort op 29 maart 1863 ingeschreven als ‘cipier der gevangenen’. Hij maakte eigenlijk al onderdeel uit van de ‘Beekse politie’. Die bestond uit vier marechaussees, een klepperman en een veldwachter. Adriaan Smulders was de klepperman en Johannes de Kort dus ook de veldwachter. Bovendien oefende hij verschillende jaren de functie van waagmeester uit in het waaggebouw onder de oude gevangenis. Daarin was trouwens Evert Verlinden de keurmeester van de Beekse boter. Tot slot had Piet Vos op tijd het laatste woord, want die was klokkenist in de toren. Verder dwaalden in het buitengebied nog twee schutters en een vorster rond op zoek naar suspecte personen. In die tijd wemelde het blijkbaar in Beek van de ‘dienders’. Mocht je er tegenwoordig nog ééntje willen zien, dan… ‘diende’ goed op te letten!