door Jan van Helvoirt

Op 24 februari 1950 gaf de burgemeester van Hilvarenbeek de opdracht tot het bouwen van een nieuw raadhuis. Jan Meuwese had wel in de gaten dat het voormalige pand de Kroon, in oktober 1860 gekocht van de weduwe van Adriaan de Lang en ingericht als raadhuis, marechaussee-kazerne, wachtkamer en gevangenis totaal was vervallen. De verbouwing in 1900 met een uitbreiding van een paardenstal, berging, privaat en piscine kon nieuwbouw niet verhinderen. In 1924 vond er nog een aanpassing plaats, waardoor de gemeenteraad tijdelijk in het Patronaat in de Koestraat moest vergaderen. Even werd nog onderzocht om het Witte Huis, dan onder andere een werkplaats waar landbouwmachines werden gerepareerd, aan te kopen. Doch dat werd door de gemeenteraad resoluut afgewezen. Verder probeerde men ook het naastliggende woonhuis aan de Markt bij te kopen, zodat men een bredere kavel kreeg. Dat lukte echter niet en men besloot een nieuw raadhuis te bouwen met dezelfde breedte als het bestaande. Daar de bouwkavel erg diep was kon men het raadhuis in twee delen bouwen. Aan de Markt kwam het representatieve gedeelte, terwijl het ‘werkgedeelte’ achterin kwam te liggen. Deze beide delen werden verbonden door een overdekte gang.

Voordat op zaterdag 16 februari 1952 het nieuwe raadhuis door de Commissaris der Koningin prof. Dr. J.E. de Quay kon worden geopend, werden er in de gemeenteraad heftige discussies gevoerd. Vooral de Beekse schoenfabrikant Gerard Kuijpers verzette zich met alle geweld tegen de nieuwbouwplannen. In zijn ogen was dit project veel te duur. Op een goede morgen in 1950 vonden de verbaasde Beekse burgers zelfs een ‘rouwbrief’ in hun brievenbus. De titel luidde: ‘De rouwende stem van ’t nieuwe Raadhuis’. Waarschijnlijk zat de ‘onafhankelijke’ partij van Kuijpers hier achter. In het gedicht gaf hij ook een behoorlijke sneer aan de in zijn ogen decadente Kempische Cultuurdagen. In april 1951 kwam er opnieuw hekeldicht over het nieuw te bouwen gemeentehuis. Nu werd vooral de ‘grootsheid’ onder de loep genomen. De hal, de binnenplaats en de raadzaal waren alle veel te groot. Men zou er binnen zelfs een heuse pluimveetentoonstelling kunnen houden. Dat een gedeelte van de oude begaanbare weg werd ingepalmd, werd ook niet in dank afgenomen. De protestzanger leek in 1951 wel een beetje gelijk te hebben. Het achterste gedeelte was zo groot dat het archief, de bevolkingsregisters, de secretaris, publieke werken en de gemeenteontvanger er onderdak vonden. Ook het politiebureau en het Witgele Kruis kregen nog een plaatsje.

Dit alles had de architect Jos Bedaux er niet van weerhouden om geestdriftig zijn plannen ten uitvoer te brengen. Nadat de besteding had plaatsgevonden op 30 juni 1950, werd de eerste steen later in dat jaar op 7 oktober gelegd. Ook enkele Beekse ondernemers konden voortvarend aan de slag. F. Smolders-Van Opstal was de aannemer en de totale bouwkosten, inclusief risicoverzekering, bedroegen 160.000 gulden. Firma Tooten-Leemans droeg zorg voor de elektrische installatie en G. Mattheeuwsen was verantwoordelijk voor het glas- en schilderwerk. De gevels werden in een Vecht-formaat handvormsteen gemetseld, terwijl de daken werden gedekt met Fumay leien. De bestrating op de binnenplaats werd met oude keien in sierverband gelegd. De vloeren in de hal en de gangen in het representatieve gedeelte kregen Solnhofenertegels in groot formaat. In de raadszaal en de overige ruimten werden eiken parketvloeren gelegd. De binnenbetimmering, binnendeuren en kozijnen werden uitgevoerd in oud eikenhout, afkomstig van een oud gesloopt huis. In een bouwblad schreef men in augustus 1954 erg lyrisch over het nieuwe bouwwerk op de Hoge Zij: “De interieurs zijn van een serene blankheid en worden geheel beheerst door een sterke wandwerking, vooral het raam- en deurmotief. De kloeke ramen van de voorgevel en het strak in de gevel plaatsen daarvan, geven aan het geheel een paleisachtig aanzien: de schone slaapster is binnen”. Maar wanneer wordt die… weer wakker?