door Jan van Helvoirt

Het grote Beekse drama van november 1708 is al meerdere keren beschreven. Maar nu willen we even de Beekse slachtoffers met naam en toenaam noemen. De Franse Jean Philippe graaf van Salians d’Estaings luitenant-generaal van koning Lodewijk XIV gaf hoogstpersoonlijk aan de luitenant kolonel Demoulins de opdracht, om een strafmaatregel uit te voeren met 140 dragonders in de Noordelijke Nederlanden. Die Hollanders hadden immers ongehoord een ‘Naams dorp’ platgebrand. Beek was het eerste dorp dat men na de grens passeerde.

In de nacht van 17 november 1708 trok men door het Groot Loo om Beek te gaan plunderen. De huidige Roovertse Dijk lag er grotendeels in deze vorm nog niet en in natte winterse omstandigheden gebruikte men de hoger gelegen noordelijke Oude Bossche Baan. De bekendste woning die aan de prooi der vlammen ten onder ging was de Dekanij, de woning van de Beekse predikant Benjamin Tilius, gelegen ten zuiden van de Wouwerstraat naast de oude IJpelaar of Wouwerstede. Maar er werden nog heel veel Bekenaren in complete ellende gestort doordat hun woningen werden aangestoken. De eerstgenoemde in de lijst der slachtoffers was Adriaen Moonen, wiens nieuw gebouwde schuur verbrandde met 29 vemmen rogge, 23 vemmen haver, 14 karren hooi en veel timmerhout. Adriaen woonde helemaal achter op de Varkensmarkt bij de Wapper. Zijn buurman Merten van Aelst verloor zowel zijn huis als zijn schuur met haver, rogge, boekwijt, linnen, wol en enkele vaten turcksche boonen. Daarna kwam Aert Stoffel van Loon met een schade van ruim 900 gulden. Peter Lijten had in zijn schuur heel zijn oogst opgeslagen en ook zijn ‘sneijback’ ging verloren. Het waren allen bewoners achter de kerk.

Dan kwam in het ‘Varkensstraatje’ (nu Varkensmarkt) een groot huis met belendende schuur behorende aan het Beneficie Omnium Santorum. De huurder van deze ‘Cantorij’ was Jacobus Wouter van Loon en hij verloor die nacht al zijn boekweit, rogge, haver, spurrie, lijnzaad, vlas, gierst, linnen, wol, hout en turf ter waarde van 600 gulden. Van Peter van Hees, die ook in dat pand woonde, werd zijn enige varken levend geroosterd! Bij Jan Laureijs van Rooy den Ouden was zijn schop verbrand met daarin een hoeveelheid cooper, trouzinck en leer. Het pas gebouwde huis met schuur en schop van de koperslager werd door de Fransen meedogenloos in brand gestoken en daarbij ging de oogst van Cornelis Claes Aben ook verloren. Het verbrande huis van Hendrick van Dommelen, in 1715 woonde hij in het pand Mechelen (’t Schouwke) aan de Markt, werd geschat op 1200 gulden. Mathijs van de Kieboom verloor in een klap zijn huis de Rode Leeuw, schop en schuur met daarin rogge, haver, stroij, gerste, spurrie, boekweijt, hoij, even, toemaet, turf, brandhout en drie karren eikenschors. Verder nog bouw gereetschap, biestocken, twerne cuijpen, tonnen, cleversaet, rontsaet, peertsboonen, vlas, tin en koper. Ook zijn net ‘geslagt beest’ ging verloren! Veertien jaar eerder was zijn mooie huis naast het hoekhuis (Rabobank) van de Markt en de Gelderstraat tijdens de grote dorpsbrand van 1694 ook al in rook opgegaan. Ook de meid Cornelia en de knecht Peter Laureijs van Loon konden fluiten naar hun kleren.

Adriaen Gerrit Schepens en zijn buurman Wouter van Roij waren ook alles kwijt. Bij deze laatste verloor de meid Marie al haar kleren. Van ‘Aest den broeder schoenmaker’ waren zijn nieuwe schoenen, het leer, de gemalen en de ongemalen schors verbrand evenals zijn haeck en leesten. Daarna volgden er een groot aantal Bekenaren waar men volop had geplunderd. In het ‘Mannenhuis Jan van Spreeuwel’ in het Laag Spul werden de broeder Aert en de knecht Jan Mesmaeckers zwaar gedupeerd. De pastoor Peter Bruers in de Koestraat wist met afbetaling aan de brand te ontkomen. Servaes Middegaels verloor in zijn huis de Son al zijn wijn, bier en brandewijn. Jan Verhoeven in de Gelderstraat miste zijn hemden, laecken, chirurgijns instrumenten en diamant om glas te snijden. De manufacturenwinkel van Lambert Naeijkens, net als die van Willem van Hees, werd leeggeroofd met een schade van ruim 600 gulden. Gijsbert Bacx, de ‘Commies van den Tol’, leed een schade van 100 gulden. Doctor Glavimans, hij woonde aan de noordkant van de Markt naast het Ketelaars Huisje, kon zijn gouden ring en zijn nieuwe falie afgeven. De Franse officieren eisten van de Beekse regenten nog meer geld en die werden bij de rijke Bekenaren onmiddellijk gevorderd. Mevrouw Van Brecht betaalde 350 gulden, opdat ook haar huis Kasteel Groenendaal gespaard zou blijven. Jan Goissens in het pand ’s Hertogenbosch (nu woonhuis de Roos) betaalde 393 gulden. De zeer vermogende Jacobmijne Rijsbosch, zij bezat onder andere de Witte Leeuw, rekende 163 gulden af. De Beekse president Peter van Andel, enkele jaren later zou hij de Swaen kopen, moest ook 163 gulden betalen. Gelukkig zou de Generaliteit de helft van de totale schade van 34.075 gulden vergoeden. Beek was weer enkele jaren verlost van de brute wrede vergelders die deze keer goed voorbereid en erg doordacht opereerden en zeker niet… met de Franse slag!