door Jan van Helvoirt
De norbertijn Hendricus van Kerckhoven, geboren in het huidige Oisterwijk, werd in de Diessense parochie benoemd op 2 oktober 1602. Enkele maanden later verbond hij op 4 februari 1603 de timmerman Thomas van den Nieuwenhuysen van het Sprenckeleynde in de echt met Anneken Adriaen Peter Thielmans. Later in dat jaar had hij grote onenigheid met de Diessense borgemeester Henrick Ariaens over af te dragen belasting. Op 2 juli 1606 doopte hij Cornelis Beersmans uit het Baarschotse Teechoven. In 1609 stelde de Tongerloose abt Adriaen Stalpaerts in Diessen de assistent Guilimus Smits aan. Deze norbertijn richtte op 10 januari 1621 de broederschap van de Heilige Rozenkrans op. Jenneken dochter Merten Antonis Daniels verklaarde op 3 november 1620 dat zij jaarlijks 12 gulden betaalde uit haar stede op de Haghorst aan de schoolmeester van Diessen nu sijnde ende namaels coemende priester wesende ter ere van Goidts dienst. Hij moest dan elke week op vrijdag om elf uur een mis celebreren in de parochiekerk van Diessen. Dit ten dienste van alle mensen ende besondere van de pelgrims aldaar pelgrimatie coemende doen voor St. Wilbort. Pastoor Van Kerckhoven sloot in 1623 een akkoord, een soort afkoping, met de schepenen en borgemeesters dat zij twee maal per jaar 55 gulden [in pastoirs huijs] zouden ontvangen.
Op 17 november 1627 kocht Anneken Ghijsbrecht Hoppenbrouwers weduwe Merten Wouters, die men noemde 'priester Merten', de helft in een stede met hof en schuur aan de Tychelrijth bij de Waterstraat te Diessen. In 1628 werd de pastorie omschreven als een huijsinge en hoenderhuijske, brouwhuijs, koeij en verkenskooy, corenschuur, hoyschuur en turfschop. Met de 'corenschuur' zal de tienschuur bedoeld worden. Die was erg kenmerkend voor de oudere norbertijnse pastorieën. Het Rechterlijk Archief te Hilvarenbeek meldde op 27 januari 1628: "De Eerwaarde Heer broeder Henrick van de Kerckhoff, religieus en canoninck der Abdij van Tongerloo en pastoor van de Parochie van Diessen, beurt jaarlijks een erfrente van 10 Carolusgulden uit twee onderpanden te Riel, een bij de kerk en een bij de Brechse Hove aldaar. De Rielse schenker Geraert Matthijs van Casteren verwacht wel dat de Diessense pastoor zijn taak kan uitvoeren tot onderhoud van een geestelijken oft weerlijcken priester naar believen van de Heer prelaet en pastoir omme te onderwijsen ende categiseren de Jonckheyt aldaer." Ondanks het verbod gedurende de Tachtigjarige Oorlog gingen tussen 1629 en 1635 de diensten gewoon door. Veelal gebeurde dat in particuliere woningen.
Op 27 juni 1629 zag de pastoor de gek geworden Laureys van den Nieuwenhuysen naar Lier vertrekken, alwaar hij bij de ‘cellebroeder’ werd uitbesteed. Op 25 oktober van dat jaar stierf Adriaen Stalpaerts als 41e abt van de abdij van Tongerlo. Later in 1629 werd van hogerhand bepaald dat alle geestelijken Den Bosch en omringende dorpen moesten verlaten. Mogelijk vluchtte de Diessense pastoor in 1635 naar Poppel. Daar overleed pastoor Van Kerkckhoven immers in 1639. Even later werden de meubelen van de overleden pastoor opgehaald en naar Tongerlo gebracht. Deze Diessense pastoor mocht zijn leven lang gebruik maken van de inkomsten van de Driesch achter de Tychelrijt aan de Waterstraat.
In 1636 was Godefridus Adriani wellicht assistent in de Diessense kerk. Een groep soldaten arresteerde op 3 december 1636 vier Diessense boeren met hun dienstdoende pastoor: de paep die de predicatie deed. Op 4 juni 1636 had hij nog plechtig het huwelijk ingezegend van Cornelius Cools en Catharina van Hove. Op 30 september 1637 doopte hij Jacobus Beersmans, die later schepen en brouwer in Baarschot zou worden. Tijdens zijn pastoraat in Diessen was Wijnant Jan Rosan uit Tongerlo eigenaar van de latere Wijnenhoef of Mijntjeshoef op de Lage Haghorst. In 1638 werd de Diessense kerk door de katholieken verlaten. Maar zal dat zich na bijna 400 jaar weer gaan herhalen of zal St. Petrus zijn sleutels… voorgoed moeten inleveren?
