door Jan van Helvoirt
De Bekenaar Francis Fabri was in 1696 commies van den grooten Brabantsche Swijgende Lanttol. Op 24 december 1696 werd hij bij het uitoefenen van zijn functie door de twee molenaars Cornelis Huijsmans en Cornelis van Bocxtel behoorlijk te grazen genomen. De eerstgenoemde had de commies van achteren met een houweel twee keer soodanigh op sijn hooft geslagen dat hij daervan deerlijck is gequest geworden. Toen de zwaar gewonde Fabri enige tijd arbeidsongeschikt was, werd hij vervangen door de Diessenaar Johan Moonen en de Bekenaar Peter de Jong. Meteen al in januari 1697 hielden zij in Esbeek de Bredase koopman Cornelis Gerrits aan. Geheel onterecht bevolen zij hem: sa alon gij moet wederom rijden naar Reusel ter oirsaecke dat den tol daer niet geteeckent is. Daarna hielden zij hem gewoon een dag in Beek vast. Enige tijd later hielden zij in Esbeek twee Tilburgse kooplieden aan en namen hun tolbrief in beslag. Nadat zij een deel van de lading noten hadden gekregen werden de verontwaardigde kooplieden heengezonden met de woorden: vaert maer door en segt tot Beec tegen Fabri ende tot Tilburg tegen Tabbers dat wij de tolbrieven hebben, want wij zijn de meesters! Bovengenoemde Jan Moonen was eerder al commies van de ‘Grote Brabantse Zwijgende Landtol’ in Diessen en hij hield kantoor in zijn herberg in het Pannenhuis. Hij was voor niemand bang en had de reputatie goed met ‘schelmen en dieven’ overweg te kunnen. In 1703 werd hij verdacht van de bevrijding van de bovengenoemde Beekse tollenaar Francis Fabri uit de handen van de justitie.
In die periode was er groote commercie tussen het Land van Luijk en Breda en de route liep over Diessen en Hilvarenbeek met dagelijks wel 10 à 20 karren met 4, 5 of 6 paarden bespannen. Dat gaf in de herberg van Moonen een aanmerkelijke grotere omzet en in Hilvarenbeek bleven de passagiers meestal overnachten. De tollenaars hadden een behoorlijke rechtspositie en als zij personen of goederen in arrest namen, dan zouden zij net als de Officieren van Justitie in hunne relasen ende verklaren worden gelooft. In 1705 had de commies Moonen een conflict met Laureijs Rombouts, de deurwaarder van Diessen. Moonen had zijn koe in beslag genomen en wilde daarna ook nog ten onrechte tol heffen. De regenten van de Beekse schepenbank wisten niet hoe dit juridisch probleem op te lossen en ze vroegen de drossaard om in Den Bosch advies te gaan vragen. In 1713 kwam Jan Moonen met een knecht, zijn huifkar en drie paarden van Breda. Tussen Gilze en Riel werd hij door vier rovers bestolen van vier gulden, sijn mes, vorck, vuersleagh, slaepmuts en een blaes met toeback. De bandieten, zij behoorden tot de bende der Muscoviters] werden gevangen en in Beek in de toren opgesloten.
In 1714 kwam de Diessense commies in conflict met zijn Waalwijkse collega Jan van Griensven. Deze dreigde Moonen af te zetten en verbood de Waalwijkse kooplieden om langs het Diessense kantoor te rijden. Op 21 januari van dat jaar reed een Waalwijkse koopman met drie wagens over de Waterstraat om het Pannenhuis te kunnen vermijden. Hij stuurde zijn knecht naar Moonen om het tolbiljet te laten tekenen. Doch die weigerde en vertelde dat hij enige dagen geleden bezoek had gehad van vijf Waalwijkse voerlieden die zich erg intimiderend opstelden. Zij speelden bij het Pannenhuis een spelletje door met zakpistolen door een hoed te schieten. De tollenaar Moonen durfde nu niet meer naar de wagens in de Waterstraat om van sulcke vogels geaffronteerd te worden. Onze Diessense belastingambtenaar, die verder nog meerdere baantjes vervulde, werd op 29 augustus 1670 in Hilvarenbeek gedoopt als Johannes Baptista Moonen. Van zijn ouders erfde hij een boerderij aan het Groot Loo, die hij verhuurde. Van zijn schoonouders nam hij aan het Laar de boerderij, herberg en brouwerij het Pannenhuis over. Moonen was op 27 november in Diessen met Catharina Sweens getrouwd, die zelf ook nog twee boerderijen bezat. Aanvankelijk was Moonen ook boterkoopman. Maar met de Diessense schoolmeester ‘boterde’ het niet zo goed. Die had zich laatdunkend uitgelaten over het kantoor van de tollenaar Moonen: uw comptoir is maer een duijffhuijs (de duivengaten zitten er nu nog in!) ende ten is niet één duijt weert! Maar moest die vrijpostige onverschrokken Diessense schoolmeester niet een beetje… op zijn tellen passen?
