door Jan van Helvoirt
De Bekenaar Jan Moonen was in 1691 bij zijn schoonouders Sweens aan het Diessense Groot Laar komen wonen. Hij werd pachter van het montant off verswegen hoofden. Om niet zoveel belasting te hoeven te betalen gaven de Bekenaren, Diessenaren en de bewoners van Westelbeers, Riel, Hooge Mierde, Lage Mierde en Hulsel vaak verkeerde leeftijden op en niet het juiste aantal bewoners van een bepaalde woning. Moonen vorderde dan ook zonder pardoes de boetes. Zo eiste hij voor seeker kint ofte dochterken genaamd Marie, dat zich bedelend en dakloos op de Westerwijk ophield, 25 gulden boete over het verswijgh van tselve kint int hooftgeld ofte gemael. De boetes kwamen toe aan de pachter. In 1699 wilden de Beekse drost en secretaris een proces tegen hem aanspannen. In deze zaak liet Moonen een valse verklaring opstellen door zijn oom en notaris Francois van Sibben, die aan het Klein Laar woonde. Ook in al zijn andere functies werkte de Diessenaar met dreigementen zoals geseling en brandmerken, intimidatie, omkoperij, chantage en bedrog. Bij de Voorste Watermolen in Diessen had hij onterecht een volle kar met gemalen zakken graan van Jacob van Roij in beslag genomen en opgeladen, die eerder door Cornelis Huybregts Wilborts waren gemalen.
Begrijpelijk dat de inwoners van Diessen niets moesten hebben van zijn frauduleuze praktijken. Hij was ook enorm ongeduldig. Op 26 augustus 1694 had Jan Niclaes Wouters van Goirle even geen zin om op hem te wachten. Daarop werd Moonen zo woedend dat hij hem van achteren met een hout op zijn armen sloeg, zodat Van Goirle op de grond viel. Daarna mepte de boosdoener nog keihard op zijn hoofd met een breuck in het bekkeneel als gevolg. Zijn vriend Cornelis Hacken riep nog: “Cambraet Jan Moonen, hout op, hij heeft het genoch”. Moonen antwoordde: “Hackens cambraet om uwen twil, andersints soo soude ick hem noch meer slaen, alsoo hij het verdient heeft”. Op 9 mei 1697 getuigde de schepen Laurens vanden Nieuwenhuijsen dat Moonen, een manspersoon met een linde witte voorschoot voor, in zijn herberg Cornelis Paulus Sebregts pardoes twee keer in zijn gezicht sloeg met de woorden: “Dat is maer vrientschap”. Toen sloeg hij Van den Nieuwenhuijsen een bloedneus, waarna zijn hoed afvloog. De dolle herbergier nam zijn eigen hoed en wierp die op het hoofd van de schepen met dezelfde woorden: Het is maer vrientschap!” Daarna werd Laurens nog met zijn haren over de vloer gesleurd. Op 23 mei 1697 ontsnapten hij en zijn vrouw op het nippertje aan een aanslag. Iemand had twee kogels afgevuurd op het venster aan de linkerzijde van de voordeur van het Pannenhuis. Die gingen dwars door de glaese van de binnen raem in de keucken daer hij Moonen en sijn vrouw tsamen te bedde lagen en dat de man daer van niet opstonde. Blijkbaar was hij toch weer opgekrabbeld en op 7 augustus van dat jaar liep hij weer een geweldige verwonding op met een houwdegen. Onderzoek wees uit dat de hersenen vliesen waren bedeckt met geronnen bloet.
Op 19 september 1698 mishandelde hij de zoon van Willem van Ophuijsen met een mes, sloeg daarna Peter Cornelis Scheijven met een dik hout tegen de grond en smeet Hendrick Michiel Taet met bebloede kop uit zijn herberg, nadat hij hem met een stoel had toegetakeld. De regenten van Diessen waren het roerend met elkaar eens. Moonen was een agressief en gevaarlijk man die vaak aanleiding gaf tot hevige ruzies. Bovendien nam hij vaak onschuldige goed oppassende Diessense burgers te grazen. De vorster (veldpolitie) Christiaan van Delft had hij met stenen en stokken geweeklaegt, aengetast en seer geslaen. De schoolmeester Jacobus Buermans werd zo toegetakeld dat hij geen school kon doen en veertien dagen op bed heeft moeten liggen. Toen hij op bezoek was in het Hooghuis aan het Klein Laar in de Broekstraat kreeg hij onenigheid met de zoon van de herbergier Jan van den Kieboom over een wijnvat. Hij smeet hem met alle fortse wat hij conde een pint vol bier naar zijn hoofd. Toen achtervolgde hij hem al schietend met zijn pistool en daardoor was de huijsinge vol damp ende reuck vant buspoeder. In de zomer van 1702 kreeg Moonen het zelf zwaar te verduren, doordat 2000 Franse en Spaanse ruiters zijn veldgewassen op de akkers en in zijn tiendschuur plunderden. Twee jaar later lieten de Diessenaren, het dorpsbestuur en alle voerlieden hem links liggen omdat de ‘roode loop’ was uitgebroken. Hij leed zware schade in zijn herberg omdat geene menschen desselfs huijs derfde naederen. De regenten waren blijkbaar even verlost van deze grote brute Diessense ‘ondernemer’ door… de ‘hand Gods’!
