door Jan van Helvoirt

In de negentiende eeuw werden de gevolgen van extreem weer meestal al netjes vastgelegd in het Beekse archief. Dat was ook nodig om de eventuele schade aan de boeren in beeld te kunnen brengen. De nachtvorst van 14 op 15 juli in 1800 veroorzaakte totale bevriezing van de boekweit. In de vergadering van 19 juli meldde Nicolaes Schellekens dat in de gehele Vrijthof geen onbevrozen boekwijt is bevonden, dan circa twee loopsen. De novemberstorm die Beek in dat jaar teisterde was ook verschrikkelijk. Ontelbaar waren de omgewaaide bomen. Op zondag 9 november had het orcaan meer dan 30 huizen, schuren en verdere gebouwen vernield en verbrijzeld! In het 7e jaar van de ‘Bataafsche Vrijheid’ sloeg de bliksem ongenadig toe in de kerktoren. Op zondag 22 maart 1801 ontstond er om een uur brand in de spits. In de ‘onderste peer’ werden een stijl, een krabeel, vier scheerbouten en twee eiken ribben vervangen. Ook de verbrande delen in de ‘bovenste peer’ werden gerepareerd. Het was te danken aan het heldhaftige optreden van twee ‘schaliedekkers’, die hun persoonen waagden, het in brand zijnde hout, het vuur met een hakmes afhakte en met water de brand totaal bluste.

Op 12 maart1818 sloeg opnieuw onverwachts om kwart voor vijf in de middag de bliksem in de toren. Op een plaats in de ‘onderste appel’ waardoor een gevaarlijke brand dreigde te ontstaan zijnde reeds het lood ter dier plaatse aan het smelten. De ‘bovenste appel’ was op twee plaatsen geraakt, met als gevolg dat een kromme hoekstijl met de planken verbrand waren. Bovendien was er veel lood gesmolten. Van de toren waren 4000 leien gevlogen, zo hard was de klap geweest. De kerk zelf miste 20 vorsten en 5000 leien.

Voor hagelbuien waren de inwoners nog steeds beducht. De schade van zo’n hagelbui op 13 juni 1865 was ook erg groot. De bossen en fruitbomen kregen het zwaar te verduren. Alle veldvruchten waren totaal vernield. In Beek sprak men toen van eenen der grootste rampen onzer gemeente. Toen de gemeenteraad in het voorjaar van 1869 gehoord had dat de bliksem op de toren van Goirle was geslagen, besloot men om een bliksemafleider aan te leggen. De twee ‘trekpunten’ op de zijarmen van het kruis op de toren waren nog maar nauwelijks aangebracht of er brak een zwaar onweer los boven Hilvarenbeek. Alsof de duivel er mee speelde! Een ooggetuige rapporteerde: een slagregen welke de straten in rivieren veranderd, was vergezeld van donder en bliksem, welken laatsten op den pas nieuw opgerichten molen toebehorende aan Van Heinbergen alhier is gevallen en noch al groote schade heeft aangericht, nochtans zonder brand te veroorzaken.]De wieken waren totaal kapotgeslagen. Laten we nu tot slot de zware onweersbui van 1886 nog noemen. De hele regio werd op 1 juni het slachtoffer van de alles verwoestende hagel. In de strook tussen herberg de ‘Schommel’ aan de grens met Tilburg tot aan de Koevoirt was het gedurende een half uur aardedonker geworden. Schilden van daken werden afgerukt en stro en dakpannen slingerden door de lucht.

Bomen knapten als luciferhoutjes. Het lawaai was buiten zo verschrikkelijk dat de donder zelfs werd overtroffen. De boeren op de hei spanden hun paard uit en schuilden onder de omgedraaide kar. Hagelstenen ter grootte van kippeneieren sloegen alles te pletter en rolden dan door de straten, aangejaagd door de hevige storm. De Beekse burgemeester Frans Verlinden schreef: “Deze ramp treft den landbouwenden stand nog gevoeliger, omdat deze sedert eenigen tijd in kwijnenden toestand verkeert”. Dat het deze keer menens was blijkt ook wel uit het feit dat de Commissaris des Konings ter plaatse een bezoek was komen brengen. De Beekse raadsleden zouden in de verschillende haardgangen zelf de schade gaan taxeren. Marinus Souwen had zijn werk in Esbeek blijkbaar te goed gedaan. Hij moest zijn ‘huiswerk’ opnieuw doen, want hij zat meer dan 30% te hoog! Gelukkig waren er in Beek en Diessen geen mensenlevens te betreuren. Wel werd in Diessen een meisje flink gewond aan haar hand door de ‘haal’ in de schouw. Op de Haghorst werd een vijfjarig kind bloedend door de vallende schoorsteen verwond. Verder had in Esbeek een boer dagenlang een opgezette dikke hand. Maar die had natuurlijk weer eens … niets om handen!