door Jan van Helvoirt
Het gezin van de Beekse hoedenmaker en herbergier Johan Fabri en Maria van de Kieboom uit de latere Roos telde zes kinderen. De oudste heette Josijn (1655-1680) en bleef ongehuwd. Zoon Henricus Fabri studeerde voor priester op het seminarie te Antwerpen en hij kreeg een kapelanie in de Onze Lieve Vrouw aldaar. Hij bleef wel in Beek wonen waar hij aan de ‘Hoge Zij’ zowel de Wildeman als de Cleyne Wildeman van zijn moeder geërfd had. Bovendien kreeg hij bij de erfdeling van zijn ouders in 1685 nog een huis aan de Veldhoven en enkele akkers en rentes. In Beek was hij notaris ende practisijn in de rechten. Hij stierf op 15 januari 1704.
Zoon Anselmus Fabri, getrouwd met Jennemarie de Crom uit de Tilburgse herberg de ’Swaen’, bleef in de buurt wonen. Hij erfde immers het ‘buurhuis’ dat zijn moeder vijf jaar eerder had gekocht en laten opbouwen. Op die plaats werd veel later de Gereformeerde Kerk gebouwd. Want oost lag de Sterren Hof, west het huis van Johan Sweens (nu: Open Huis) en noord de Gemeyne Beeck. Ook kreeg hij een heiveld aan de Lange Gracht te Esbeek, de akker de Nachtegaal] een perceel Nieuw Erf aan de oude dijk naar Roovert en het weiland de Biedonk Dijken ten zuiden van de Broekstraat. Tot slot hoorden daar ook nog twee weilanden de Meusen bij, gelegen in de Vest.
Anselmus was droogscheerder, rentmeester en pachter van de houtschat en in 1695 borgemeester. Vanaf 1689 had hij drie jaar vrijstelling gekregen voor deze laatste post overmits den selven alhier heeft geïntroduceert de drapperije van wullene laeckenen. Deze tak van die nieuwe industrie bleek goed aan te slaan en de vele arme Bekenaren konden hiermee de kost verdienen. De twee minderjarige kinderen Francis en Maria erfden een boerderij in ‘Ael’ onder Poppel met boomgaard, zaailanden, weilanden, beemden, moeren en heivelden. Verder nog Beekse gronden in de Banit, op Dun, aan de Cruysberch en een aantal rentes over kapitalen. Ten slotte was er ook nog de zoon Peter Johannes Fabri, geboren op 25 februari 1663. Op 22 mei trouwde hij Maria Cornelis Moonen, waarna hij tapper en brouwer werd. Ook oefende hij het beroep van voerman, koopman en boterkramer uit. Op 15 oktober 1704 werd bij Peter Fabri aangetroffen: een half vat loopent with bier ende verclaert sich voor coopbrouwer.
Dochter Catharina was gehuwd met de rijke Johan Sweens op 12 juni 1685. Hij was een zoon van de Diessense bierbrouwer Hendrick Sweens in het Paenhuis en wist dus van wanten. Bovendien was Johan pachter van de bierimpost over Diessen met ingang van 1 oktober 1696.
In 1692 was Johan kollekteur van de verpondingen en pachter van de domaniale tienden in Beek. In 1702 pachtte hij de dekenale tiende te Hulsel, Roovert en Gorp.
Johan Sweens kreeg uit de rijke erfenis van zijn Beekse schoonouders, behalve enkele gronden, het huis ‘Den Bosch’ aan de Markt, de latere Roos: huysinge mette hovinge, brouwketel, kuyp appendentien en dependentien van dien mitsgaders stallinge en schuere. Alle goederen waren door Johan Fabri en Maria van de Kieboom beheerd en bewoond geweest. In maart 1703 had Sweens een huis op Roovert gekocht. Blijkens een inspectie, het betrof boerderij de Rook, was het gebouw erg vervallen. Immers: alle stijlen waarop het huis rustte stonden los. De zolder boven de keuken was geheel weg! Ook de kamer was bijna dakloos. De ‘wonssel’ boven de kelder was ook ingevallen. Deuren, vensters en ruiten waren zeer slecht. De wanden en weegten van de schaapskooi en de schuur waren geheel ’ontramponeert’. Tot slot moest de put gereinigd worden en diende er een nieuwe mick ende swingh te komen.
Tot 1718 zou Johan Sweens in Vrijthof 20 als herbergier blijven wonen. In 1687 werd hij als actief brouwer genoteerd. In 1688 werd hij ’tavernier’ genoemd. In dat jaar werd bij hem in de herberg een compromis gesloten in een geschil tussen Nicolaas Jansse van Sprangh en Mayken Wouter Lodewijx. In het bijzijn van de Heer Rijsbosch werd overeengekomen dat Mayken 40 gulden zou krijgen. Daarmee zou alle questie doof ende te niet wesen. Van Sprangh zou vanaf dan haar altijd ongemolesteerd laten. Doch door het overlijden van Rijsbosch was de overeenkomst niet meer te vinden. Ten einde wilde Mayken de relatie weer goed maken en nodige Nicolaas uit… om paesch eyeren te coomen eten. Na een tussenpoze van ruim 12 jaar brouwde Johan Sweens in 1702 opnieuw. In dat jaar werd hij aangesteld om in Beek en Diessen de bewegingen van de Franse troepen te volgen. Bij gevaar zou hij dan om sauvegardes kunnen onderhandelen. De dreiging van buitenaf werd alom erger: alsoo dagelijcx hoe langer hoe meer ondervonden wort, ende seecker is, dat verscheijde dorpen door de fransche ofte spaensche soldaten, ofte merodeurs worden uijtgeplondert, ende de inwoonders alsoo geruineert, ende dat het frans leger soude marcheeren. Enkele dagen nadien zou Diessen door het Franse leger totaal geplunderd worden. Had Sweens ook niet beter met die Fransen… paaseieren kunnen eten?
