door Jan van Helvoirt
Er blies een gemene stormachtige wind uit het oosten vanaf het oude gehucht de Beerten door de Paardenstraat begin oktober 1792. Gewoontegetrouw haalde Hendrica Jacobs, huisvrouw van Cornelis Lemmens, op woensdag 3 oktober 1792 rond negen uur ’s morgens ’eenig vuur’ bij de kinderen van Gerrit Anthonissen. Zij getuigde later op 6 oktober voor de schepenen dat bewuste vuur even vóór de brand geleend te hebben en dat zij de stoof in haren voorschoot digt toe heeft gehouden en dat het kooltje vuur niet groter was als het lid van een vinger. Zij meende vervolgens oprecht dat het vuur niet door haar toedoen zou kunnen zijn ontstaan. Cornelis Verkolke, de buurman van Cornelis Lemmens in de Paardenstraat, vertelde dat genoemde Hendrica Jacobs bij hen ook een weinig vuur onder de assche aan den vuurhaard in een vuurtest heeft ingeschaard en mede na huys genomen. Dit alles zou ruim een half uur gebeurd zijn vóór de fatale dorpsbrand. Afvliegende vonken zouden de brand hebben kunnen veroorzaakt. Rond tien uur stond het eerste huis met stro gedekt dak in lichterlaaie. De Beekse schoolmeester Adam Broeders werd twee jaar na deze ramp in Beek benoemd. Wellicht is hij nog getuige geweest van de troosteloze aanblik van die Paardenstraat. De brand was zo hevig geweest dat men in Gorp en Roovert brandende bossen stroo door de lucht zag vliegen. En Broeders vervolgde in zijn ‘heemkundig boekje’: “Gelukkig keerde de wind niet, en hier aan, en aan de tijdige en wel bestuurde hulp der spuiten, ondersteund door die der gemeente Goirle, had men te danken, dat het grootste gedeelte des dorps geene prooi des vuurs werd”.
Het vuur raasde gretig door de veelal houten woningen en verslond in korte tijd 27 huizen, waarin in totaal 42 gedupeerde gezinnen woonden. Tegelijk werden er ook nog 11 schuren met het opgeslagen graan en een veelvoud van stallen en turfschoppen in de as gelegd. Dat de brandweerlieden hard moesten werken blijkt wel uit de rekening die werd ingediend. De mannen van de brandspuit hadden op die bewuste dag bij Cornelis van Gils voor 5 gulden, 4 stuivers en 8 penningen verteerd. Met zoveel schade en ellende zat het Beekse gemeentebestuur uiteraard in zak en as. Alvorens uit ‘s lands kas’ een bijdrage zou komen moest eerst aan een aantal voorwaarden voldaan worden. Allereerst moest Beek een ‘Brandreglement’ hebben. Ook hadden twee keer per jaar alle schoorstenen, bakovens, brouwerijen en mouterijen geschouwd moeten zijn. Verder dienden alle waterpoelen in alle gehuchten in augustus of september uitgediept te worden. De ‘Nagtroeper’ of ‘Klapwaker’ moest voldoende salaris krijgen en de brandleeren, haaken en emmers behoorden in orde te zijn. Op staande voet ging men de gezinnen visiteren om uit te leggen dat men uiterst voorzichtig met vuur moest omspringen en dat men elkaar geen vuur meer mocht lenen! Het Brandreglement zou opnieuw worden herzien en gepubliceerd.
De totale schade werd getaxeerd op 37.277 gulden. De gedupeerde inwoners van Hilvarenbeek gingen meteen zelf al collecteren, maar dat haalde niet veel uit. De Beekse gemeenteraad kreeg van de Staten Generaal toestemming om in de omringende dorpen van de Generaliteit geld te mogen inzamelen. De schepenen kregen goedkeuring en men haalde in de buurdorpen een bedrag van 3276 gulden, 11 stuiver en 2 penningen op. Tot slot schonk Den Haag een ‘liberale gift’ van 6000 gulden voor de slachtoffers van de brand, die hiermee enigszins hun verwoeste huizen weer geleidelijk konden opbouwen. De weduwe van Levi Leon in de Paardenstraat, het pand was in 1787 gekocht van de rijke Jan Vervoort, was wel heel zwaar getroffen. Deze Beekse slagteresse en van de Joodsche Natie zat met een schade van 1200 gulden met haar ‘onnozele kinderen’ compleet aan de grond. De gemeente Hilvarenbeek zou haar toch proberen te steunen.
De schuur van de weduwe van Cornelis Willem Heinsius, met daarin al het ‘tiendgraan’ van het Kapittel van St. Petrus betreffende de Klamptiende van de Vrijthof was door de brand verloren gegaan. De zeer rijke Peter Wijten, hij bezat toen nog de grote boerderij van mijn voorouders op de Heuvel in Diessen, verloor in Beek in één klap drie huizen. Maar het dorpsbestuur wist hem te melden dat er nog meer vermogende Bekenaren waren die, behalve de arme gedupeerden, op weinig steun hoefden te rekenen voor de wederopbouw van de Paardenstraat en de Markt noord: de schepen Jan Vervoort, de schatrijke kerkmeester Willem Pijnenburg, de schepen Cornelis Naaijkens, Johannes van der Burg, de drossaard Jan Tasset en de chirurgijn Francis de Lang. Zouden de huidige wethouders ook nu niet méér naar het dorpsbelang als ‘brandpunt’ moeten kijken en minder naar… de projectontwikkelaars?
