door Jan van Helvoirt
De Beekse secretaris Johan van de Burgh voegde in 1780 aan de noordkant van de Markt aan het begin van de Paardenstraat twee bestaande panden samen. Zijn weduwe, mevrouw Van de Burgh-Keuchenius, verkocht in 1805 voor 3100 gulden het huis aan Martinus Huysmans, de notaris en latere eerste burgemeester van Hilvarenbeek. Deze ‘maire’ moest de draaier of haspelaar aan de Kerkpad tegen de Paardenstraat onderhouden. De landbouwer en latere president-schepen van Hilvarenbeek Cornelis van Heusden bewoonde in 1830 dit ‘Stamhuis’ dat ook wel de naam Notarishuis gekregen had. Daarna werd het pand ook bekend onder de toepasselijke naam het ‘Wit Huis’. Ook gebruikte men soms de benaming het ‘Groot Huis’. In 1925 was het statige pand, omschreven als het ‘sjiekste’ huis aan de Markt, nog in eigendom van de baronesse Marie-Louise Sletering van Slingerland, de weduwe van de steenrijke notaris Emile Huijsmans. Die was de kleinzoon van de eerdergenoemde Martinus Huijsmans, de ‘Maire van Beek’. In maart 1945 werd het oude patriciërs pand aan de Markt A nr. 288 opgenomen in de ‘Voorlopige Lijst der Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst’. Het ‘Witte Huis’ mocht daarom niet meer worden gesloopt. Plannen om de barak achter het pand aan de Voortsepad in te richten als schoollokaal gingen niet door. Ook wilde de gemeente de woning niet aankopen om als gemeentehuis te gaan inrichten. In de nacht van dinsdag 30 november 1948 brak er brand uit en er woonden vier gezinnen in het huis: Jansen, Van Raak, Kessel en Van Ostaden.
Jan van Ostade had er een winkel met ‘materiaal voor het boerenbedrijf’ met veel oliën en vetten opgeslagen en op de benedenverdieping ontdekte hij de brand. Jo van Raak waarschuwde nog de brandmeester Jac Brekelmans, doch enkele ogenblikken later gaf men groot alarm. Jo luidde de klok en de wagen werd buiten gereden. Daarna koppelden vijf mannen meteen de spuit aan en werden de slangen uitgerold. De woningen van Van Raak en Jansen konden nog worden ontruimd, maar die van Van Ostade en Kessel kon men vanwege de dikke rook niet meer betreden. Jan Koppens had de ‘tromp’ stevig in de hand en al vrij snel spoot het water de winkel binnen. Intussen werd de deur met een bijl ingeslagen en werd er een tweede slangenleiding aangelegd. Toen men ook op de bovenverdieping vuur ontdekte werd die tweede slang over de ladder naar boven getrokken. Met een flinke hoeveelheid water kon men ook hier een einde aan de brand maken. De rook was intussen opgetrokken en kon men de schade gaan opmaken. De keuken van Jana Kessels was grotendeels beschadigd door het water en de vloer langs de muur was verbrand. De kasten in de huiskamer waren ‘afgeblotterd’ door de hitte en doordat dit vertrek boven de winkel van Van Ostade lag was de vloer geheel doorgebrand. De woning van Van Ostade, ook op de bovenverdieping, had totaal geen schade opgelopen.
Blijkbaar was er maar een deur in die woning en dat was tevens de verbindingsdeur met de woning van Kessel! De winkel beneden was geheel uitgebrand. Het begin van het vuur lag op ongeveer op twee meter van de kachel bij de toonbank. Van de opgeslagen goederen was zeker 75% verbrand. Zowel de etalage als het kantoor daar achter hadden veel van de hitte geleden. De opslagplaats achter de winkel met veel vaten olie en teer bleef wonder boven wonder gespaard. Jana Kessel had in haar woning nog veel stoffen van klanten in haar woning opgeslagen, doch die waren alle behouden. De brandweer van Tilburg werd ook nog opgeroepen, maar vanwege de dichte mist duurde het ook lang voordat die arriveerde. De Beekse brandweer had ook weinig last van opdringerig publiek, want de ‘Beekse lui’ hadden midden in de nacht blijkbaar de brandklok niet gehoord. Ook de eigenaar van het grote pand wist van niets. Hij moest het bericht de volgende dag in de krant lezen. Om half vier was de brand volledig geblust en kon de spuit worden teruggebracht. De bewoner Van Raak ruimde zijn woning weer in en trakteerde de ijverige brandweerlieden op een lekker warm kopje thee. Ook het niet te versmaden ‘borreltje’ kon natuurlijk niet achterblijven. Maar niet te veel want dan moest men meteen weer… een binnenbrandje blussen!
