door Jan van Helvoirt

De Bekenaar Ansem Fabri trouwde op 21 maart 1603 met de jonkvrouw Hadewich de Merode in Duffel, gelegen in het huidige België tussen Lier en Mechelen. Zij was afkomstig uit Westerlo. Hij bezat een bierbrouwerij int hoexken vande Wouwerstraat aan de noordkant van de Gemene Plaats. Eeuwen later zou daar na ‘brouwerij Den Bosch’ door Hector Majoie bierbrouwerij de Roos worden gebouwd. Naast brouwer was Ansem ook herbergier. En daarnaast oefende hij in Beek ook het ambt van schout (=hoofd schepenbank) uit. Hij was een zoon van Lambrecht Janss Fabri en Barbara Anschem Aerts van den Ven. Zijn vader was ook schout van Hilvarenbeek en stadhouder van het kwartier van Oisterwijk. In 1643 werd Ansem Fabri deftig in de Beekse kerk begraven. Zijn broer mr. Aert Fabri, die kanunnik in Beek was en ook de titel magister (=docent) voerde, had altijd bij hem ingewoond. Op 14 december 1675 werden de goederen van wijlen Ansem Fabri verdeeld onder zijn zeven kinderen: Christiaen, Hester, Willemijn, Barbara, Lambrecht, Cathalijn en Johan. De tweede zoon Lambrecht werd op 17 maart 1621 geboren. Op 14 november werd hem de hoofdkruin geschoren door de Bossche bisschop Ophovius. Hij werd rector van het Sint Gertrudisaltaar in Beek en in 1638 scholier in Oirschot. Daar was hij in 1653 casteleyn opt huijs van de Merodes gelegen aan de Beerze onder Spoordonk. Later was hij voor die vermogende adellijke familie rentmeester in Duffel. Dochter Hester huwde Aert van de Brande, woonde in Grimbergen en erfde 400 gulden.

De andere dochter, Cathalijn Lambrechts Fabri, huwde mr. Ghijsbrecht Michielssen van den Nieuwenhuysen, die in 1572 ook aan de Beekse Markt geboren was. Hij werd in 1604 geadmitteerd als notaris in Beek en van het kapittel. Verder was hij heilige-geestmeester, borgemeester, schepen, rentmeester en schoolmeester. Sinds 1620 woonde het gezin in de Clossenborch in de Koestraat: een huysinge, scuere, scoppe ende andere cleyne huysinge, omwaetert synde, hoff, boomgaert, weylant ende ackerlant, malcanderen aanliggende.

De oudste zoon Christiaen werd op 2 februari 1623 in de latere Roos geboren en in de Beekse kerk gedoopt. Nadat hij in Leuven gestudeerd had en in 1643 promoveerde tot licentiaat in de kunsten, keerde hij terug naar zijn geboortedorp. In het Beekse kapittel verwierf hij een prebende (=inkomsten uit kerkelijk goed) en later werd hij deken van het Venerabele Gilde. In 1682 was hij de laatst overgebleven kanunnik van het bisdom Den Bosch. In zijn eigen woning in de Koestraat of in de schuurkerk daarnaast, droeg hij de missen op. In de schuur van de Clossenborch werd in 1671 een nieuw kerkje ingericht, wesende eenen lighten timmer met leeme ende sleghte steenen. Op 7 januari 1689 overleed hij. In zijn testament liet hij 100 gulden na met allen mijn misgewaet ende het geene tot het heijlich sacrificie ende autaer soude mogen gehooren om de selve te gebruijcken. Zijn woonhuis in de Koestraat had niet veel waarde meer: seer ontramponeert en van slechte materialen met leemen weechten gemaeckt.

Dan waren er nog de twee dochters Willemijn en Barbara. De eerste bleef ongehuwd en Barbara was getrouwd met Arnoelt Slaets, die drossaard van Duffel was. Hun dochter Catharina was hofmeesteres vanden Bagijnhove in Lier. De jongste zoon Johan kocht op 8 maart 1670 in Esbeek een perceel erff liggende tot heyvelt ende bossen aende Lange Gracht 11 loopse 30 roeden. Johan was gehuwd met Maria van de Kieboom, dochter van een Beekse hoedenmaker in de Cleyne Wildeman aan de Markt. Tijdens de erfelijke deling van 14 december 1670 kreeg deze Johan: eene huysinge, brouwhuys, schuur, stallinge ende schop met den hof ende schuyre achter den hof ende brouwketel ende andere gereetschap inde brouwerije ende alle appendentien ende dependentien vandien. Zuid lag de ‘Gemeyne Plaetse’, waar de beek tussendoor liep. En noord lag de ‘Sterrebocht’, waar een akkerweg (=Holstraat) doorheen liep. Hierbij werd uitdrukkelijk vermeld, dat iedereen het recht van wegen had zoals het van ouds altijd geweest was. Johan was behalve herbergier en bierbrouwer ook hoedenmaker. Hij volgde zijn vader als schout van Hilvarenbeek op. Later werd hij nog vermeld als stadthouder vande Leenen van Mevrouwe van Hilvarenbeeck en tot slot als retensen boeckhouder. Zouden we nu die ook weer kunnen gebruiken in… de huidige Roos?