door Paul Spapens
‘Laat ons bidden mannen. Dan kan er ons niets kwaads overkomen…’
Dit is een uit het hart gegrepen gebed uit ‘En waar de ster bleef stille staan’. Tot op de dag van vandaag is dit een populair kerstspel. Jan Naaijkens zou er alles over kunnen vertellen. In 1925 – precies een eeuw geleden – werd het geschreven door de Vlaamse schrijver Felix Timmermans, in samenwerking met de Nederlander Eduard Veterman.
Felix Timmermans werd in 1886 in Lier geboren. In die plaats overleed hij in 1947. Hij was een zeer productieve schrijver van toneelstukken, romans met een historisch karakter en gedichten. Veel van zijn boeken illustreerde hij zelf. Tot drie keer toe is hij kandidaat geweest voor de Nobelprijs.
De in Den Haag geboren Eduard Veterman (1901-1946) was schrijver en beeldend kunstenaar. Hij schreef vijftien romans en dertig toneelstukken. Eduard Veterman, van joodse komaf, zat in het verzet, werd ter dood veroordeeld, op het nippertje bevrijd door Amerikanen en na de oorlog had hij veel succes met het toneelstuk Oranjehotel.
En waar de ster bleef stille staan
Warme kerstlegende
Dan was ‘En waar de ster bleef stille staan’ van een heel andere aard. Deze warme kerstlegende vertelt het verhaal van Suskewiet, Pitje Vogel en Schrobberbeek. Iemand die in de Kempen woont zal er meteen sympathie voor voelen. De drie schelmen besluiten in herberg Het Zeemeerminneke, ‘vergaderd rond de kruik’, zich naar oud gebruik als Drie Koningen te verkleden en met een ster en al zingend het land (Brabant) rond te trekken.
Ze halen veel op. Op ‘een melkwit sneeuwveld, onder een zwarte lucht waarin de sterren schitteren’ verdelen ze de buit. Met een verlicht hart begeven ze zich op weg om tot hun schrik te ontdekken dat ze de weg kwijt zijn… Suskewiet stelt voor om te bidden en Schrobberbeek valt hem bij:
Ja, laat ons bidden. Onze Vader, die in de hemelen zijt, ’t is niet omdat ik bang ben, maar geheiligd zij Uw naam.
Pitje Vogel: ‘Ik heb mijn Vaderons vergeten – sedert mijn eerste communie.’
Zo beginnen de kerstavonturen van het drietal. Ze komen uit bij een ‘Foorwagen’ waarin Jozef, Maria en het Kindeke in armoedige omstandigheden blijken te huizen. Ze helpen het gezinneke door al hun bij elkaar gezongen verdiensten aan hen af te staan. Zelf hebben ze niks meer en vervallen weer tot ellendige armoede. Maar op bezoek bij het Jozef, Maria en het kerstkind kunnen ze hun geluk niet op. Als Jozef ze vraagt wie ze zijn, antwoordt Suskewiet: ‘Wij zijn de Drie Koningen.’ Suskewiet zingt:
‘En ik ben zo vrolijk als… als... eh, ik ben vrolijk alsof ik een kruik jenever heb gedronken....’
Prent van de Week van Cees Robben
‘En waar de ster bleef stille staan’ was meteen een zeer populair kerstspel en dat is het tot op de dag van vandaag gebleven. Er zijn tal van variaties op bedacht, onder meer als hoorspel. Nog steeds staat het op het repertoire van toneelgezelschappen. Ook inspireerde het Cees Robben, zoals deze tekening met de Bikse toren mooi laat zien.
De in Tilburg geboren Goirlenaar was beroemd in Midden-Brabant dankzij zijn ‘Prent van de Week’. Cees Robben (1909-1988) publiceerde van 1953 tot 1969 wekelijks zijn Prent van de Week in het katholieke weekblad Rooms Leven en van 1970 tot 1986 in Het Nieuwsblad van het Zuiden. Met name door zijn verbintenis met de krant raakten zijn Prenten in heel Midden-Brabant en dus ook in Hilvarenbeek bekend en gewaardeerd. Cees Robben tekende uit het leven gegrepen voorvallen met daaronder een pakkende uitspraak in het dialect.
Beekse Prent
Omdat hij in Goirle woonde, kwam dat dorp nogal eens voor in zijn werk en daar ligt dan ook weer een relatie met Hilvarenbeek. De ‘Biksendijk’ bijvoorbeeld speelde soms een rol in zijn Prenten. Ook Cees Robben, een heemkundige pur sang en verklaard liefhebber van de Brabantse aard en cultuur, werd gegrepen door ‘En waar de ster bleef stille staan’. Dat leverde deze unieke Prent op die op 2 januari 1960 verscheen in Rooms Leven. Deze Beekse Prent was een van de 1.627 die hij in totaal schiep. Zeker in de beginjaren liet Cees Robben zijn Prenten vergezeld gaan van berijmde verhalen. Deze Prent is daar een mooi voorbeeld van.
De Beekse situering wordt meteen duidelijk door de prominente aanwezigheid van d’n Biksen toren. Op de voorgrond de ‘Foorwagen’ uit het verhaal van ‘En waar de ster bleef stille staan’.
In plaats van Suskewiet, Pitje Vogel en Schrobberbeek spelen Jantje Kapoen en Mie Tuureluut de hoofdrol in het verhaal dat Cees Robben er van maakte. Ze willen hun woonwagen stallen op het grote regionale woonwagenkamp dat toen nog was gevestigd aan de Dongenseweg in Tilburg. Ze zijn daar niet welkom en vinden uiteindelijk een plaats ‘in Beek op de haai’; bedoeld wordt de ‘Bikse haai’, waar nu de Beekse Bergen ligt.
Kindeke welkom in Beek
In de laatste drie regels heten laat Cees Robben voelen dat het ook in zijn verhaal heel gewone Beekse mensen waren die het Kindeke welkom heetten. Van een van de namen is met zekerheid te zeggen dat deze niet is verzonnen. ‘Sjarel d’n Bèls’ komt onder meer voor in het dagboek van de bevrijding van Hilvarenbeek van Toon Spapens. Toen iedereen vol spanning in afwachting was van het einde van de oorlog maar niemand er het fijne van wist, kwam ‘Sjarel’ vanuit Poppel vertellen hoe het aan gene kant van de meet was gesteld.
Paul Spapens is geboren in Hilvarenbeek. Hij is journalist en schrijver. In de Tilburgse weekkrant Stadsnieuws, een zusterblad van De Hilverbode, laat hij zich al meer dan vier jaar elke week inspireren tot een historisch verhaal bij een Prent van Cees Robben. Al doende dook deze Prent op uit het enorme repertoire van de Goirlese chroniqueur van de aard van de Midden-Brabantse mens.
