door Jan van Helvoirt

De Beekse chirurgijn mr. Lambrecht Verrijt (1618-1657) woonde tijdens zijn actieve leven aan de zuidkant van de Markt in het huis genaamd de Oijvaersnest. Deze chirurgijn was blijkbaar van alle markten thuis. Hij was ook bierbrouwer, tapper en herbergier. Bovendien exploiteerde hij achter zijn huis nog een oliemolen. Zijn opvolger in dat statige pand was Adriaen Hanegraef (1653-1703), die ook zo’n druk baasje was. Bovendien was hij een fervent jager en daarvoor fokte hij windhonden. Zijn zuster Maria was getrouwd met mr. Johan van Campenhout, die zijn vak uitoefende in de Swaen. En vooral van hem leerde Adriaen het vak van chirurgijn. Vele decennia lang werd hij in Beek en Diessen opgetrommeld om onderzoek te doen bij de slachtoffers als gevolg van ongelukken en moord en doodslag. Ook diende hij ledematen te amputeren en de nodige protheses te maken. Verder verbond hij de gewonde patiënten. Dat deed hij ook op 6 juni 1690 bij Wilbort Jan Lemmens, die in de Diessense Kerkstraat vanuit de herberg het ‘Oud Huis’ van Otten werd bestookt door een schoot met een roer met hagel geladen. Op het einde van zijn carrière moest hij in 1703 nog komen opdraven om de ‘vroede vrouw’ Sycken Wijten (iemand die meende geneeskundige kwaliteiten te hebben) te verbinden en te verplegen. Zij was met knuppels en vuistslagen bruut aangevallen door Peter Nouwen die schreeuwde dat zij zijn vrouw had ziek gemaakt en zijn koeien en kippen had betoverd: nu sal ick u den hals afsneijden, of ghij sult herdoen wat ghij gedaen hebt.

Zijn zoon Bernaert werd ook chirurgijn en vestigde zich in Arendonk. Diens zoon Adriaen kwam weer terug naar Hilvarenbeek en werd hier gemeente chirurgijn tot aan zijn dood in 1796. Zijn eerder genoemde opa Adriaen Hanegraef was in het huwelijk getreden met Maria Hendrick Wilborts. Vlak na de geboorte van hun derde kind, stierf zij. Adriaen hertrouwde als vader van drie onmondige kinderen met Jenneken Adriaen Biemans uit Poppel. Daarom werd op 17 november 1688 de inventaris opgemaakt van de goederen in zijn kapitale herberg en brouwerij genaamd de Oijevaer met den hof in de Coeystraet. De kamer aan de oostkant, zijn buurman was de herbergier Cornelis van Hees, bleek een rijk gestoffeerde slaapkamer te zijn. De schepenen Peter Bruers en Christoffel Dawans troffen er behalve een coffer met swart leer becleet met copere nagelen beslagen twee voetbogen en drie pistolen aan. Het kleine kamertje daar achter was ook een slaapvertrek met een bed, koffers en een spinnewiel. In de keuken beschreef men behalve een bed, 17 houten stoelen en een boterstand ook nog een bottelerije en een aenricht ofte richt schapraij. Verder een heleboel tinnen voorwerpen: schotels, vaten, kommen, lepels, inktpotten en ‘tiljoren’ (eetborden). Ook alle aardewerk werd netjes genoteerd. De chirurgijn bleek ook veel koperwerk in huis te hebben: pannen, potten, schalen, scheerbekkens, vuurketels, koeketels, handketels, kandelaars en vuurpannen. Verder een koperen teems (zeef) en enkele brouwspullen. Daarnaast nog een aantal ijzeren voorwerpen.

In de kamer aan de westkant stond een uijttreckende tafel met beddekoets. Ook op de zolder zag men een bed, een slaapbank en een ‘scherbel bank’. Daarnaast een tafeltje met een lessenaar en een baecker madt. Een hele voorraad linnen was aanwezig: vrouwenhemden, zwarte strikken, kanten kragen, nacht halsdoeken, mouwen, mutsen, schorten, neusdoeken, servetten, oorfluwijnen, tafellakens en handdoeken. De overleden vrouw van de chirurgijn bleek een behoorlijk gevulde kleerkast te bezitten. Deze lijst geeft tevens de mode van die tijd weer en dan vooral van de meer gefortuneerden. Laten we er enkele noemen: een roode laeckense gedruckte rock, een colleurde sijden rock met cattoen gevoeijert, Daarnaast bezat ze vijf soorten ‘tabberts’ (wijd gewaad). Aan haar lijf kon ze een stick ofte rocklijf, een slegt capotjen en enkele onderrockjens dragen. Ook moeten we natuurlijk haar ‘grauwe schoenen met een paar muijlen’ niet vergeten. Ze bleek ook nog een swarte floerse cap en een swarte sijde neusdoeck gedragen te hebben. Waardevol waren natuurlijk ook de zilveren voorwerpen, zoals vorken en lepels en een leesboeck met twee silvre slooten. Haar gouden ring kwam ook tevoorschijn. De gouden trouwring had de weduwnaar Hanegraef maar verkocht! Heel interessant was natuurlijk den winckel met de instrumenten. Maar die werd in de beschrijving helaas niet opgenomen. Wel de voorraad ‘brand’ bestaande in droog hout en turf. Maar de echte brand kwam zes jaar later, toen tijdens de grote dorpsbrand in 1694 het pand van onze chirurgijn, eerder Cleijne Maen geheten, geheel … in vlammen opging.