door Jan van Helvoirt
De sociale controle door buren en familieleden was vroeger in de dorpjes nog vele malen groter dan nu vaak het geval is. Diessen telde eind 1790 nauwelijks 730 inwoners en het dorp met de gehuchten samen kende slechts 145 huizen. Maar velen die in de zeer armoedige tijd van midden achttiende eeuw het platteland overspoelden onttrokken zich aan die sociale controle door hun mobiliteit. Dat waren vooral marskramers, straatventers, orgeldraaiers, speelmannen, leurders en zigeuners. Soms werden zij ook ‘heidenen’ genoemd. Zij kenden vaak letterlijk de grenzen niet en zij hoefden ook geen ‘borgbrief’ bij zich te dragen. Zij kwamen immers ook niet in aanmerking voor de Tafel van de Heilige Geest, zoals de plaatselijke kerkelijke armenzorg vaak genoemd werd. Die naam kwam voort uit de praktische uitvoering van het armenbeleid. Op gezette tijden plaatste het Diessense Armbestuur een grote tafel onder in de toren. Daarop werden allerlei goederen en levensmiddelen uitgestald die aan de arme inwoners stelselmatig werden uitgedeeld. In de Beekse kerktoren was trouwens boven de Waag (nu Mariakapel) ook een ‘Heilige Geestzolder’ ingericht. Later werd dit de gevangenis. De inkomsten werden verkregen uit pachten van gronden en complete boerderijen, die vaak door rijke inwoners waren geschonken aan de Kerk. Zo kwamen die zelf natuurlijk na hun overlijden ook regelrecht en hoger in de hemel! Voerde Diessen een ‘streng asielbeleid’? Niet afwijkend van de andere dorpsbesturen. De armmeester van Diessen, Francis de Kroon, wist in het voorjaar van 1798 exact uit te leggen dat vier jeugdigen ten behoeve van kostgeld en kleding geld uit de kas kregen.
Het waren allen inboorlingen van Diessen, jongens fris en gezond van leeden en de zintuigen wel machtig. Om man en paard te noemen: het betrof in dit geval Wilhelmus de Laat, Johannes Smits, Peter Smetsers en Marijn Hendriks. Deze laatste kwam uit een gezin, waarin alle drie de zonen drie jaar eerder met Driekoningen in het openbaar besteed werden door de Diessense Heilige Geestmeester. Marijn was in de kost bij Lambert de Brouwer voor 18 gulden en 4 stuiver per jaar. Het kind leverde daarvoor natuurlijk arbeid, maar was ook in de kost. Hij kreeg dus voedsel en kleding aangereikt. Zo kreeg Paulus Michiel Schilders in 1731 een miselane keel, een muts, een linde voorschoot, een stiklijf en twee hemden. Anna van de Nieuwenhuysen ontving een roye baije rok, een bonte neusdoek en een miselane lyfke. Ook Jan Jan Zebregts werd in het nieuw gestoken. Hij ontving een hemdrock, een hoet, een kamesool en een seeme broek. De armenkas was overigens vaak niet eens groot genoeg voor de eigen hulpbehoevende bewoners. Men was erg bang voor hoogzwangere vrouwen die Diessen binnen kwamen: met het baren van kinderen van vreemde arme vrouwe personen van buyten geboortig in dese plaatse. Zo werd Jenneken Willem Hendrikx, in onderbaerheyt sich laten bevruchten en eerstdaegs in de craem staet te comen, gesommeerd het grondgebied van Diessen en Hilvarenbeek onmiddellijk te verlaten. Zij was geboortig van Arendonk en enkele jaren later was zij weer terug, wederom in verwachting. Blijkens een openbare publicatie moest zij binnen drie maal 24 uur het grondgebied verlaten hebben: dat de Taeffele van de Heilige Geest met haer kint nyet en wort belast.
Op 30 december 1796 kreeg het bestuur van Hilvarenbeek de opdracht om twee vrouwen die uit Bataafs Brabant verbannen waren naar Herstal bij Luik, vanaf de Tilburgse grens naar Weelde te transporteren. Onmiddellijk werd een kar met paard opgetrommeld om de opdracht uit te voeren. Toen bleek dat de hooge swangerschap van ’t eene vrouwspersoon voort gevaarlijk was, werd de reis wat ingekort. Ze werden nu beiden voorzichtig met de kar naar Diessen gebracht! En zo werd vaak letterlijk met mensenlevens gesold. Sommigen brachten zichzelf in de problemen. Zo maakte een Diessense jonge vrouw, de 30-jarige Elizabeth Schonen uit de Haghorst, het in 1765 al te bont. Zij werd voor maar liefst drie overtredingen berecht. Allereerst had zij zich schuldig gemaakt aan vagebonderen. In Beek had zij diefstal gepleegd. Verder flirtte ze met Waltheris Verhoeven alhier waarna zij enige dagen in Poppel vertoefden. Tot slot had ze ook nog ontucht gepleegd met de gedeserteerde soldaat Adriaan Snel. Uiteindelijk werd Elizabeth Schonen uit Diessen verbannen, gegeseld en vier jaar in Breda in het ‘spinhuis’ middels werk getuchtigd en opgesloten. Toen werd er blijkbaar op de Haghorst nog resoluut schoon schip gemaakt en kwam deze lastige ‘oudere starter’ zeker niet in aanmerking voor een veilig onderkomen… in de toekomstige Armakkerstraat!
