door Jan van Helvoirt
Terwijl Hilvarenbeek op 17 augustus 1794 via de Roovertse Dijk opgescheept werd met een gigantisch Frans leger, werden de Diessense dorpsbestuurders aan het schrikken gemaakt door Bernardus Monheim, zijnde een Duytzer. Sinds twee jaar was Diessen zijn thuisbasis. In die periode vertoonde hij een zeer ondeugend gedrag. Hij werd dan ook als een gevaarlijk persoon in onze kleine gemeenschap beschouwd. Uit de enkele gesprekken met hem, hij zou gedeserteerd zijn uit zowel het Keizerlijke als uit het Hollandse leger, bleek dat denselven onzinnig en zelfs volkoomen verstand niet machtig is. Omstreeks Allerheiligen van 1793 werd in Diessen op den Heuvel (nu Heuvelstraat 29) bij Francis van der Meijs bruut aangeklopt. Francis lag reeds in bed en hij hoorde roepen: “Maak open en wijs mij de weg”. Hij deed uiteraard niet open maar zag wel tot zijn schrik dat iemand door de glas raam alwaer een glas uyt was en met papier toegeplakt zijn hand naar binnen stak. Zijn dochter Johanna was ook wakker geworden en ze kwam onverschrokken hulp bieden. Met de rug van een mes gaf ze een flinke slag op die ‘vreemde hand’. Onmiddellijk hoorden zij vloeken en schelden in het ‘Hoog Duits’: Soe uw niet opendoet en den weg weijst sal ik het huys in brand steeken. Ik heb sulver genoeg en vuur zal ik wel krijgen. Hoewel de aanvaller zich onzichtbaar ophield wisten zij dat het hun dorpsgenoot Bernardus Monheim was die hen belaagde. Zij hoorden het aan de vreemde taal!
Vader Francis klom geschrokken uit de bedstee en maakte de deur maar open. De onruststoker stapte binnen en vroeg of hij hem de weg naar huis wilde wijzen. Morrend en mompelend strompelde de dronken zwerver uiteindelijk op huis aan. Deze onberekenbare Diessenaar zou elders ook voor veel paniek zorgen. Op Sinterklaasavond 1793 had hij de Beekse klapwaker Willem de Munnik met dezelfde vraag lastig gevallen. Stomdronken bedreigde hij hem alsmaar totdat de ‘ordebewaker’ echapeerde in desselfs woonhuys. De schepenen die later visitatie bij de woning gingen doen, zagen dat er twintig klijne ruitjens staande in ’t lood aan diggelen waren. In het voorjaar van 1794 was het weer raak. Op een warme avond was de schilder Francis Bayens het huis van de Beekse secretaris Van den Burgt aan het verven, toen hij plots Monheim zag aankomen. “Ik wil de secretaris spreken”, riep hij nijdig en ongeduldig. “Die is niet thuis en zijn vrouw en de klerk ook niet”, antwoordde de wit aangeslagen dorpsschilder. Nadat de dolleman woest de bel aan diggelen had geslagen, legde hij beide handen treiterend plat op de zojuist geschilderde venster dorpels. Toen dreigde hij Bayens met zijn snuifdoos te slaan en riep: Ik wil hier van den nagt het huys en alles in twee maken. In Beek had hij al eerder amok gemaakt. Bij de kleermaker Cornelis Schijvens had hij een glas jenever afgedwongen. Hij kreeg wel een glas bier aangeboden waarna hij nog een glas water eiste. Ondertussen sprak hij meesmuilend en denigrerend over de notabelen van Diessen en Beek: Paap, Drost en Regeeringe. Hij besloot zijn relaas met: Ik zal den drossaard ook een paar klappen om zijn ooren geeven.
Hij was overigens al eens eerder bij de ongelukkige Schijvens geweest; niet om een nieuw pak te bestellen maar om ruzie te zoeken. Die was alleen thuis en zat boven op tafel te werken alwaer een mes was leggende. De binnendringer had het mes stilletjes weten te bemachtigen en bracht de ‘snijder’ vervaarlijk een steek toe: een sneede in zijne kin even onder den mond sodaanig dat het zeer bloede. Voordat de zwerver op Diessen aan ging wist hij in de Beekse Koestraat nog voor enige opschudding te zorgen. Omringd door veel nieuwsgierig volk stond hij voor het huis van de Heer Jannette te schelden en te tieren. De schepen Wilhelmus Spanjaert probeerde hem nog te sussen en voorzichtig sommeerde hij hem naar huis te gaan. Maar Monheim wist van geen ophouden en dreigend kwam hij met de vuist op hem af: Alwaart dat gij zeeven jaar schepen waard geweest zoude ik uw evenwel om uw ooren slaan! Enige tijd later sloeg hij daadwerkelijk enkele dorpsbewoners met een flink hout tegen de grond. Ook twee ingekwartierde soldaten moesten het ontgelden waarbij de ruiten uit de vergaderruimte vlogen. Tot slot wierp hij een Franse soldaat tegen de vlakte. Toen was de maat vol. Hij werd in verzekerde bewaring genomen en later uit Diessen verbannen. Maar ook ‘echte Diessenaren’ sloegen er regelmatig genadeloos op los en zetten vaak… het dorp op stelten.
